Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/5.4.2
5.4.2 Universele Verklaring van de Rechten van de Mens
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS390995:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Universal Declaration of Human Rights, General Assembly resolution 217 A (III).
Trb. 1969, 99.
Alhoewel hier in de literatuur ook anders over wordt gedacht omdat de UVRM een gezaghebbende interpretatie is van het VN-handvest op het vlak van mensenrechten, omdat in de praktijk van veel staten de UVRM als maatstaf wordt gebruikt in het mensenrechtenbeleid en de UVRM daarbij als een juridisch bindend instrument wordt gehanteerd en omdat de rechten in de UVRM deel zouden uitmaken van de algemene rechtsbeginselen. Zie Smis, Janssens, Mirgaux & Van Laethem 2011, p. 98-99.
Zie ook Kälin & Künzli 2009, p. 14. Tomuschat 2014, p. 33.
Op 1 december 1948 is de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) aangenomen.1 Nederland heeft zich als lid van de Verenigde Naties verbonden aan deze verklaring.2 De Universele verklaring is geen bindend instrument.3 Staten tonen met de UVRM hun bereidheid om de verklaring als algemene standaard te hanteren en uit te werken in nationale en internationale instrumenten. Stapsgewijs heeft de VN de inhoud vertaald naar bindende verdragen. Het heeft onder andere als fundament gediend voor het hierna te bespreken IVBPR en het EVRM en is daarom van belang.4
Artikel 4 in de UVRM ziet specifiek op slavernij en horigheid. De bepaling luidt als volgt.
Artikel 4
Niemand zal in slavernij of horigheid gehouden worden. Slavernij en slavenhandel in iedere vorm zijn verboden.
Het verbod op slavernij en horigheid is tevens neergelegd in het IVBPR en het EVRM. Artikel 4 van de UVRM omvat, evenals de andere bepalingen in de verklaring, geen absoluut recht. Het tweede lid van artikel 29 bepaalt dat beperkingen bij wet mogen worden gesteld. Die beperking dient wel de erkenning van en de eerbied voor de rechten en vrijheden van anderen te verzekeren. Voorts moet de beperking voldoen aan de gerechtvaardigde eisen van de moraliteit, de openbare orde en het algemeen welzijn in een democratische gemeenschap. Bovendien mag de beperking niet strijdig zijn met de doeleinden en beginselen van de VN. Artikel 30 stelt daarnaast dat niets in de UVRM zodanig mag worden uitgelegd dat het een recht zou inhouden waarvan de uitoefening leidt tot een afbreuk aan de rechten en vrijheden die de UVRM zelf ten doel heeft.
Zoals hierna nog aan de orde zal komen, wordt het slavernijverbod in het IVBPR en het EVRM als absoluut recht gezien en zijn nimmer beperkingen mogelijk.