Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes
Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/12.6.1:12.6.1 Achtergrond
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/12.6.1
12.6.1 Achtergrond
Documentgegevens:
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947855:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 39 lid 2 Wfpp.
Zie in het bijzonder art. 2 lid 1 sub b IVUR: Commissie-Van den Berg 1991, p. 58.
Kamerstukken II 1997/98, 25704, nr. 5, p. 28; Kamerstukken II 1997/98, 25704, A, p. 6.
De regering voegde deze grond toe naar aanleiding van het advies van de Raad van State: Kamerstukken II 2010/11, 32752, nr. 4, p. 6.
Concept-MvT, p. 31-34.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van artikel 39 Wfpp verliezen partijen hun aanspraak op subsidie van rechtswege wanneer zij onherroepelijk zijn veroordeeld voor een van de in het artikel genoemde misdrijven. Het gaat daarbij ten eerste om misdrijven die spelen in de sfeer van discriminatie op grond van ras, godsdienst of levensovertuiging, seksuele gerichtheid en handicap, geregeld in de artikelen 137c-g en artikel 429quater van het Wetboek van Strafrecht. De duur van het verlies op aanspraak wordt bepaald door de hoogte van de geldboete die voor het misdrijf wordt opgelegd en kan daardoor varieren van een tot vier jaar.1 Daarnaast leidt ook een veroordeling voor een terroristisch misdrijf in de zin van artikel 83 Sr van rechtswege tot subsidieverlies, in dit geval voor een periode van vier jaar. Het betreft onder meer het plegen van aanslagen met een terroristisch oogmerk en het ‘uiteenjagen’ van een vergadering van de Tweede of Eerste Kamer.
De mogelijkheid om de subsidie van partijen tijdelijk stop te zetten, kan herleid worden tot het advies van de Commissie-Van den Berg, die erop wees dat subsidiëring van partijen die voor rassendiscriminatie zijn veroordeeld, problematisch is in het licht van het Verdrag inzake uitbanning van rassendiscriminatie (IVUR).2 De regering sloot zich daarbij aan, maar blijkens het daaropvolgende wetsvoorstel voor de Wspp moest ook discriminatie op andere gronden tot uitsluiting leiden. Voor wat betreft discriminatie op grond van geslacht wees de regering tijdens de behandeling van het voorstel op het Verdrag inzake uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (VN-Vrouwenverdrag), dat in het geval van discriminatie op grond van geslacht aanleiding gaf tot het stopzetten van de subsidie.3 Met discriminatie op deze en overige gronden die de betreffende artikelen in het Wetboek van Strafrecht noemen, was volgens de regering gekozen voor misdrijven die ‘de maatschappelijke samenhang’ bedreigen en raken aan ‘de grondslagen van de democratische rechtsstaat’.4 Terroristische misdrijven in de zin van artikel 83 Sr, die bij de invoering van de Wfpp aan de opsomming werden toegevoegd, voldoen aan dezelfde maatstaf.5
Het conceptvoorstel voor de Wpp beoogt de regeling op een drietal punten te wijzigen. 6Ten eerste moet de subsidieontzegging niet meer van rechtswege volgen op een veroordeling, maar krijgt de maatregel het karakter van een bijkomende straf die door de rechter kan worden opgelegd. Ten tweede wordt de koppeling tussen de hoogte van de boete en de duur van subsidieontzegging losgelaten. Tot slot worden de delicten waarvoor subsidieontzegging kan worden opgelegd, uitgebreid tot alle misdrijven. Ik kom op deze punten hieronder nog terug.