Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/3.2.3
3.2.3 Toepassingsgebied
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS434208:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De tien nieuwe EU-lidstaten zijn: Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië.
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Lugano 16 september 1988, Trb. 1989, 58 (hierna: EVEX-Verdrag).
Verordening (EG) Nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures, PbEG 2000, L 160/1 (hierna: EG-Insolventieverordening).
Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen, 's-Gravenhage 5 oktober 1961, Trb. 1968, 101 (hierna: HKbV 1961), resp. Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van de ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, ' s-Gravenhage 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299 (hierna: HKbV 1996).
Zie bijv. Rb. Amsterdam, Sec. Kanton 10 oktober 2002, NIPR 2003, 28; Rb. Arnhem 5 februari 2003, NIPR 2003, 285; Rb. 's-Gravenhage 2 juli 2003, NIPR 2004, 27; Vzngr. Rb. Rotterdam 4 november 2003, NIPR 2004, 161; Hof Arnhem 23 november 2004, NIPR 2005, 264; Hof 's-Hertogenbosch 28 juni 2005, NIPR 2005, 221; Rb. Haarlem 27 september 2005, NIPR 2006, 17.
Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 196 (MvT).
HR 19 maart 2004, NJ 2004, 295 (PV).
Ten onrechte anders Hof 's-Gravenhage 24 november 2004, LJN AR6357; Hof Amsterdam 22 december 2005, NIPR 2006, 42.
Zie Hof Amsterdam 23 november 1995, NJ1997, 739; Hof 's-Gravenhage 18 juli 1997, NIPR 1997, 303. Verder de conclusies van de A-G in HR 17 december 1993, NJ 1994, 350 (ICS); HR 16 juni 1995, NJ 1996, 256; HR 3 juli 1995, NJ 1997, 54 (ThMdB); HR 8 december 1995, NJ 1999, 338, m.nt. PV onder NJ 1999, 339.
Zie voor de positie van het continentale plat in EEX-verband: HvJ EG 27 februari 2002, C-37/00, Jur. 2002, p.1-2013, Weber/UOS, NJ2005, 336, m.nt. ThMdB onder NJ 2005, 337. Zie verder H.L.I. Roelvink, 'Het continentaal plat als IPR-aanknopingspunt', in: S.C.J.J. Kortmann e.a. (red.), Op Recht (Struycken-bundel), Zwolle: W.E.I. Tjeenk Willink 1996, p. 273-282.
Het Nederlandse commune bevoegdheidsrecht speelt alleen een rol als een zaak, die zich afspeelt voor de Nederlandse rechter, niet wordt bestreken door een voor Nederland geldend verdrag of EG-verordening. Art. 1 Rv bepaalt namelijk: 'Onverminderd het omtrent rechtsmacht in verdragen en EG-verordeningen bepaalde wordt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter beheerst door de volgende bepalingen.' Naarmate in Brussel steeds meer verordeningen betreffende het internationaal bevoegdheidsrecht tot stand worden gebracht, neemt het belang van het commune recht van de lidstaten af. Hierbij speelt ook een rol dat het aantal lidstaten dat gebonden is aan EG-verordeningen per 1 mei 2004 van vijftien is uitgebreid tot vijfentwintig.1 De belangrijkste voor Nederland geldende internationale regelingen op het terrein van de rechtsmacht zijn de EEX-Verordening, het EEX-Verdrag, het EVEX-Verdrag,2 de Verordening Brussel Ilbis en de EG-Insolventieverordening.3 Verder kan worden gewezen op verdragen die tot stand zijn gebracht door de Haagse Conferentie voor het Internationaal Privaatrecht, zoals bijvoorbeeld de Haagse kinderbeschermingsverdragen van 1961 en 1996.4 Het Nederlandse commune recht blijft van belang voor zaken die buiten het materiële en/of formele toepassinggebied van een van deze regelingen of een andere toepasselijke regeling vallen. Bij bestudering van de rechtspraak valt op dat de waarschuwing van art. 1 Rv de Nederlandse gerechten regelmatig ontgaat; het Nederlandse commune recht wordt menigmaal toegepast, terwijl de zaak bestreken wordt door een verdrag of EG-verordening!5
In temporeel opzicht zijn art. 1-14 Rv alleen van toepassing op procedures die in eerste aanleg op of na 1 januari 2002 aanhangig zijn gemaakt bij een Nederlands gerecht. Volgens het overgangsrecht behorend bij de herziening van het procesrecht in Rv geldt de volgende regeling. Als op of na de datum van inwerkingtreding van `nieuw' Rv een gerecht een beslissing neemt in een zaak die voor die datum aanhangig was gemaakt, is de uitspraak tot stand gekomen met toepassing van het 'oud' procesrecht, 'maar is vervolgens op een eventuele volgende instantie het nieuwe recht van toepassing.6 Deze overgangsregeling geldt echter niet voor art. 1-14 Rv.7 De oude regels inzake de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter blijven van toepassing op procedures die zijn ingesteld vóór 1 januari 2002, ook indien na deze datum hoger beroep of cassatie wordt ingesteld.8 Voor 1 januari 2002 is in de rechtspraak verscheidene malen verwezen naar en soms inspiratie geput uit de voorgestelde bepalingen in art. 1.1.1-1.1.13 van het Voorontwerp van Wet.9 Van een anticiperende toepassing van het Voorontwerp is in de rechtspraak geen sprake geweest.
In territoriaal opzicht strekt de regeling van de commune rechtsmacht zich ook uit tot het Nederlandse gedeelte van het continentale plat. Art. 14 Rv stelt het Nederlandse gedeelte van het continentale plat voor de toepassing van de regels betreffende de rechtsmacht van de Nederlandse rechter (bedoeld is de rechtsmacht uit hoofde van het commune recht) gelijk met het grondgebied van Nederland.10