Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.7.3.3
6.7.3.3 Subsidieverplichting of subsidiabiliteitsregel?
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397304:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld artikel 9, eerste lid, van de Subsidieregeling ESF-3.
ABRvS 2 februari 2011, LJN BP2838.
Zie ook ABRvS 17 april 2002, LJN AE1562 waaruit volgt dat de Europese verordeningen aan de lidstaten beleidsruimte kunnen laten om bijkomende subsidiabiliteitsvoorwaarden vast te stellen.
Zie bijvoorbeeld de artikelen 13 en 14 van de ESF Subsidieregeling 2007-2013; artikel 10 van de Subsidieregeling EFRO doelstelling 2007-2013; artikel 7, tweede lid, van de Subsidieregeling ESF-3 en artikel 14 van de Regeling Communautair Initiatief Werkgelegenheid II.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2008, LJN BG4071, volgt dat in een handboek per kostensoort moet worden beargumenteerd in welke gevallen deze niet of gedeeltelijk subsidiabel is.
Zie Tekst & Commentaar Awb bij artikel 4:31 van de Awb.
Zie echter wel ABRvS 12 november 2008 (LIN BG4071 (gemeente Rucphen)) waaruit blijkt dat de subsidiabiliteitsregels niet reeds hoeven te zijn vastgesteld ten tijde van het indienen van de subsidieaanvraag. De Afdeling acht in dat kader van belang dat de later gepubliceerde subsidiabiliteitsregels waren gebaseerd op reeds voor heen ter zaken bestendig gevoerde beleid van de staatssecretaris. Een schoonheidsprijs verdient deze gang van zaken mijns inziens niet.
Voor zover ook in een subsidieregeling subsidiabiliteitsregels zijn neergelegd dienen de subsidiabiliteitsregels in het handboek uiteraard wel daarmee in overeenstemming te zijn. Zie ABRvS 24 september 2008, LJN BF2163 (gemeente Groningen) en ABRvS 22 juli 2009, JB 2009/196, m.nt. J.L.W. Broeksteeg (gemeente Bergen op Zoom), r.o. 2.8.1.
Zie ABRvS 22 juli 2009, JB 2009/196, m.nt. J.L.W. Broeksteeg (gemeente Bergen op Zoom), r.o. 2.7.2.
ABRvS 2 augustus 2006, LJN AY5525 (Stichting Educatie Gehandicaptenzorg). Zie De Kruif & Den Ouden 2007, p. 245.
Zie ook Rb Groningen 21 december 2007, LJN BC4376 (B&W gemeente Groningen) waarin wordt overwogen dat in de systematiek van de algemene en bijzondere subsidieregelgeving uitdrukkelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen het bepalen van de hoogte van het subsidiebedrag, de wijze waarop de subsidiabele kosten worden berekend en het (met een bepaald oogmerk) verbinden van nadere voorwaarden aan de beschikking tot subsidieverlening enerzijds en het opleggen van verplichtingen anderzijds en dat elk van deze bevoegdheden en instrumenten een eigen afgebakend toepassingsgebied heeft.
Zie ook ABRvS 2 augustus 2006, LJN AY5518 (gemeente Zoetermeer), r.o. 2.7.1 waarin de Afdeling overweegt dat slechts indien aan de kosten een urenadministratie ten grondslag ligt, het vereiste inzicht worden verkregen in de uren die daadwerkelijk aan een project zijn besteed.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 2 augustus 2006, LJN AY5525 (Stichting Educatie Gehandicaptenzorg).
Zie ABRvS 14 juli 2010, AB 2011, 31, m.nt. J.E. van den Brink (Stichting Opleidingsfonds Levensmiddelenindustrie), waarin de Afdeling beziet in hoeverre de niet-naleving van de subsidiabiliteitsregel dat uitkeringen uit winstdeling niet subsidiabel zijn ertoe kan leiden dat de Europese subsidie op grond van artikel 4:46, tweede lid, onder b, van de Awb lager wordt vastgesteld. Zie ook ABRvS 2 februari 2011, LJN BP2838 waarin de Afdeling beoordeelt of de omstandigheid dat niet alle kosten als subsidiabel zijn aangemerkt als een wezenlijke verplichting moet worden beschouwd die door de eindontvanger van de Europese subsidie is geschonden. De eindontvanger van de Europese subsidie is echter helemaal niet verplicht om subsidiabele kosten te maken. Wanneer kosten niet subsidiabel zijn kan dit dus slechts tot gevolg hebben dat de kosten niet worden vergoed, niet dat de subsidie lager wordt vastgesteld op de gronden genoemd in artikel 4:46, tweede lid, van de Awb.
Vaak zal worden verwezen naar een algemeen verbindend voorschrift waarin de subsidiabiliteitsregels zijn neergelegd.
De in de vorige paragraaf besproken subsidieverplichtingen moeten worden onderscheiden van subsidiabiliteitsregels. Bij subsidiabiliteitsregels gaat het om regels op grond waarvan moet worden bepaald welke kosten subsidiabel zijn. In hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.4, is besproken dat per Europese subsidieregeling verschilt in hoeverre deze regels in de Europese subsidieregelgeving zelf zijn neergelegd. Voor de structuurfondsen geldt dat een aantal subsidiabiliteitsregels in de Europese subsidieverordeningen is neergelegd. Het verschilt per regel in hoeverre deze rechtstreeks doorwerkt in de nationale subsidieverhouding.
Een voorbeeld van een subsidiabiliteitsregel die rechtstreeks doorwerkt in de nationale subsidieverhouding is artikel 7, eerste lid, van de Verordening nr. 1080/ 2006. Hierin is bijvoorbeeld bepaald dat debetrente niet voor steun uit het EFRO in aanmerking komt. Toch kan het geen kwaad deze regel in de nationale subsidieregeling te herhalen, onder verwijzing naar de Europese subsidieverordening. Dit is wat betreft EFRO ook gebeurd in artikel 10, eerste lid, onder 9 van de Subsidieregeling ESF doelstelling 2 2007-2013, behalve dan dat niet blijkt dat de regel afkomstig is uit de Europese subsidieverordening. Dit staat op gespannen voet met het verbod om een bepaling uit een Europese verordening in het nationale recht te incorporeren. In de vorige programmaperiode waren de subsidiabiliteitsregels geheel op Europees niveau vastgesteld; zij waren neergelegd in een bijlage bij de Verordening nr. 1685 /2000. Uit artikel 1 van deze verordening blijkt dat de subsidiabiliteitsregels zijn gericht tot nationale uitvoeringsorganen. Aannemelijk is dat deze regels niet rechtstreeks doorwerken in de nationale subsidieverhouding. Om doorwerking zeker te stellen is het voldoende dat in het besluit tot subsidieverlening wordt opgenomen dat de subsidiabele kosten worden berekend aan de hand van het bepaalde in de Verordening nr. 1685/2000. Het verdient echter de voorkeur dat in de nationale subsidieregeling naar de verordening wordt verwezen.1 In een uitspraak van 2 februari 2011 oordeelt de ABRvS echter dat bepalingen van verordeningen rechtstreeks toepasselijk zijn en worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU en derhalve niet ter kennis van de eindontvanger van de Europese subsidie behoeven te worden gebracht.2 In het licht van het vorenstaande lijkt mij deze overweging te kort door de bocht. In de Algemene Subsidievoorwaarden waarop in het besluit tot subsidieverlening werd gewezen was bepaald dat ter zake van de subsidiabiliteit moet worden voldaan aan de bepalingen van de Verordening nr. 1685/2000. Hoewel het oordeel van de ABRvS dat de eindontvanger van de Europese subsidie dus met de subsidiabiliteitsregel bekend was derhalve juist is, verdient het geen schoonheidsprijs. De eindontvanger moet de algemene voorwaarden raadplegen en vervolgens nog eens de Verordening nr. 1685/2000 om te kunnen beoordelen aan welke subsidiabiliteitsregels de door hem opgevoerde kosten uiteindelijk moeten voldoen.
In de structuurfondsenverordening nr. 1083/2006 wordt daarnaast aan de lidstaten de opdracht gegeven nationale subsidiabiliteitsregels vast te stellen.3 Dit heeft tot gevolg dat in nationale regels ter uitvoering van de Europese subsidieregelgeving ook subsidiabiliteitsregels zijn neergelegd.4 Deze regels mogen uiteraard niet in strijd komen met de van toepassing zijnde Europese subsidieregelgeving.
Voormelde subsidiabiliteitsregels zijn noodzakelijk omdat het bij veel Europese subsidies om kostensubsidies gaat. Dit betekent dat het uiteindelijke subsidiebedrag waarop de eindontvanger van de Europese subsidie recht heeft, afhankelijk is van de kosten van de gesubsidieerde activiteiten. De subsidietitel van de Awb biedt in artikel 4:31 van de Awb de mogelijkheid om in het besluit tot subsidieverlening alleen de berekeningswijze te vermelden, met in beginsel het maximale bedrag waarop de subsidie kan worden vastgesteld. Aangegeven moet worden welke kostensoorten subsidiabel zijn,5 of de werkelijke kosten bepalend zijn, of een systeem van kostennormering wordt gehanteerd en welk percentage van de kosten wordt vergoed.6
Voor aanvang van de uitvoering moet duidelijk zijn, welke kosten subsidiabel zijn.7 Het zou immers bijzonder onhandig zijn wanneer de eindontvanger na afloop van het project bijvoorbeeld zou ontdekken dat kosten die vrijwilligers hebben gemaakt bij het uitvoeren van het project niet subsidiabel zijn, omdat alleen gemaakte kosten van werknemers voor een subsidie in aanmerking komen. Volgens de memorie van toelichting bij de subsidietitel van de Awb, verdient het de voorkeur voormelde aspecten te regelen in het wettelijk voorschrift waarop de subsidie berust; dat wil zeggen een algemeen verbindend voorschrift. De subsidietitel van de Awb verzet zich er echter niet tegen dat subsidiabiliteitsregels alleen in een besluit tot subsidieverlening worden vermeld ofwel in een handboek waarnaar in het besluit tot subsidieverlening wordt verwezen.8 Belangrijk is verder dat zowel het subsidieverstrekkende bestuursorgaan als de eindontvanger van de Europese subsidie aan de blijkens de subsidieregeling of het besluit tot subsidieverlening geldende subsidiabiliteitsregels zijn gebonden.9
In sommige gevallen zal het lastig zijn om uit te maken of de subsidiabiliteitsregels zijn nageleefd en de kosten subsidiabel zijn. In de programmaperiode 1994-1999 die geleid heeft tot de ESF-affaire bestond over deze vraag veel onduidelijkheid. Aan een uitspraak van 2 augustus 2006 lag bijvoorbeeld mede het geschil ten grondslag of de huur van een instructieruimte subsidiabel is wanneer daarvoor een marktconforme prijs wordt betaald, zoals lijkt te volgen uit de toepasselijke wettelijke voorschriften, of dat dat per definitie niet het geval is indien de verhuurder van de ruimte zelf á subsidie voor de huur van de instructieruimte heeft ontvangen van een andere minister.10
Uit het voorgaande volgt dat een subsidiabiliteitsregel niet op één lijn valt te stellen met een subsidieverplichting in de zin van de Awb.11 Ze hangen echter wel nauw met elkaar samen: sommige subsidieverplichtingen, zoals het bijhouden van inzichtelijke en controleerbare projectadministratie, dienen met name het doel te kunnen vaststellen welke kosten subsidiabel zijn.12 Indien het subsidieverstrekkende bestuursorgaan bij de subsidievaststelling tot het oordeel komt dat bepaalde kosten niet subsidiabel zijn, wordt het subsidiebedrag lager dan het maximale subsidiebedrag vastgesteld.13 Deze lagere vaststelling vindt — anders dan Nederlandse bestuursorganen en ook de Nederlandse bestuursrechters nogal eens veronderstellen14 — echter geen grondslag in artikel 4:46, tweede lid, van de Awb, maar in de besluiten tot subsidieverlening. In deze besluiten is immers bepaald welke subsidiabiliteitsregels van toepassing zijn.15 Uit deze regels volgt welke projectkosten subsidiabel zijn. De gronden tot lagere vaststelling neergelegd in artikel 4:46, tweede lid, van de Awb zijn in dat geval niet van toepassing.