Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/6.4.6
6.4.6 Kenmerken en omstandigheden rondom het opheffingskortgeding
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS497039:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de benadering van het imperatief karakter van opheffingsgronden door de Hoge Raad: paragraaf 6.3.2.3.
Voor deze inventarisatie is gebruikgemaakt van de zaken waarin een vonnis voorhanden was, omdat deze informatie verschaffen over (toe- en afwijzing van) aangevoerde opheffingsgronden.
Voorbeelden: indien reeds voor datum beslaglegging ter zekerheid een hypotheek wordt verstrekt die voldoende zekerheid voor de vordering biedt (Pres. rb. Alkmaar 15 april 1922, W. 11 014). En: gelet op de financiële positie van banken hoeft in redelijkheid niet te worden gevreesd voor onttrekking van vermogen aan verhaal (gerechtshof Amsterdam 21 april 1994, KG 1994, 380). Voorts: een vordering die reeds is verjaard (Pres. rb. Amsterdam 1 november 2001, KG 2001, 280) en vrees voor verduistering die onvoldoende is komen vast te staan (gerechtshof ’s-Gravenhage 2 maart 2006, LJN: AV5137).
Aldus Cremers 1983, p. 693, onder verwijzing naar Meijers & Vermeulen 1967, p. 200 (nr. 116): het niet aanwezig zijn van vrees voor verduistering werd toen geschaard onder de opheffingsgrond ‘het onnodige van het beslag’.
Een in de doctrine met enige regelmaat aangehaald bijkomend effect van de vervanging van het beslag door een zekerheidstelling in de vorm van een bankgarantie is dat een ‘gewone’ concurrente vordering een bevoorrechte positie verkrijgt ten opzichte van de overige concurrente crediteuren. Zie bijvoorbeeld: Huydecoper 2006, p. 16-17.
Ook zijn aan een bankgarantie kosten voor de beslagene verbonden, zoals provisiekosten en (veelal) 1% van het gegarandeerde bedrag, waarover door de bank doorgaans geen rente wordt vergoed. In verband met reputatieschade en problemen met financiers e.d. is het echter soms een aantrekkelijker alternatief dan een beslag.
Zie ook paragraaf 6.5.2.
Zie paragraaf 6.3.5.
Uit de voorgaande resultaten blijkt dat ongeveer een derde van de aangebrachte opheffingskortgedingen eindigt in een vonnis waarin het beslag wordt opgeheven. De vraag doet zich voor welke betekenis aan deze resultaten kan worden verleend. Is dit veel of weinig en wat zegt het over de waarborgfunctie van het opheffingskortgeding? Het antwoord hierop is op basis van alleen cijfers moeilijk te geven, omdat deze op zichzelf weinig zeggen. Er is daarom gezocht naar referentiegegevens met betrekking tot de overige omstandigheden. In dit kader is gekeken naar de kenmerkende omstandigheden rondom en tijdens het opheffingskortgeding en de resultaten van de procedure in de hoofdzaak, daar deze laatste een indicatie geven over de vordering die aan het beslag ten grondslag ligt. Op dit laatste wordt in hoofdstuk zeven ingegaan.
Opheffingsgronden
Concreet heeft de waarborgfunctie van het opheffingskortgeding betrekking op de mogelijkheid voor de beslagene dan wel andere belanghebbenden om zich van een onrechtmatig beslag te kunnen ontdoen. Artikel 705 lid 2 Rv omschrijft de gronden waarop door de voorzieningenrechter (onder meer) de opheffing van het beslag ‘wordt’ uitgesproken.1 Dit zijn: verzuim op straffe van nietigheid van voorgeschreven vormen, de summierlijke ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht en het onnodige van het beslag. Indien sprake is van een geldvordering, wordt het beslag opgeheven indien voldoende zekerheid wordt gesteld.
De meerderheid der opheffingsgronden blijkt in de praktijk slechts een beperkte rol van betekenis te spelen2 (tabel 22). Zo treft men een succesvol beroep op de grond ‘verzuim op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen’, ofwel door de beslaglegger gemaakte serieuze procedurefouten, in het onderzoek in acht van de 153 zaken aan. Ook de opheffingsgrond ‘onnodig beslag’ (situaties waarin het beslag niet nodig of vexatoir is)3 werd in weinig opheffingskortgedingen aangevoerd: er zijn zes gevallen geregistreerd, waarin het beslag ook werd opgeheven. Dit in tegenstelling tot de situatie in de jaren tachtig toen vrees voor verduistering nog een belangrijke rol speelde als opheffingsgrond in opheffingskortgedingen.4
Tabel 22: Gronden voor opheffing dan wel handhaving beslag in 153 opheffingskortgedingen met vonnis.
2006
Gronden
Opgeheven
Niet opgeheven
Anders*)
Totaal
Aantal
Aantal
Aantal
Aantal
Procedure fouten
8
0
0
8
Vordering summierlijk (on)deugdelijk
45
47
0
92
Deels summierlijk (on)deugdelijk / herbegroting
1
2
0
3
Onnodig / vexatoir
6
0
0
6
Zekerheid
12
0
0
12
V aststellingsovereenkomst
3
0
0
3
Anders / afweging van belangen
11
6
0
17
Verstek
3
0
0
3
Overig **)
5
2
2
9
Totaal
94
57
2
153
* Anders: andere rechtsgang, onbevoegdverklaring.
** Overig: wijziging vordering, waardeloos o.g.v. art. 7:3 lid 3 sub f jo 7:3 lid 4 BW, onjuiste partij gedagvaard, goederen bestemd voor openbare dienst.
De laatste in de wet genoemde opheffingsgrond, het stellen van voldoende zekerheid, is in twaalf gevallen waarin het beslag ook werd opgeheven aan de orde. Relevant in het kader van de waarborgfunctie is dat opheffing op deze grond geen informatie biedt over de terechtheid van het beslag, omdat immers substitutie van zekerheid plaatsvindt.5 In bijvoorbeeld het geval van een bankgarantie kan de beslagene (nog steeds) niet beschikken over de hiermee gemoeide liquiditeit.6
De opheffingsgrond die in veruit de meeste opheffingskortgedingen werd aangevoerd is te vinden in de ‘summierlijke ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht’, te weten de terechtheid van de vordering waarvoor verlof is verleend, waarbij de beslagene aannemelijk dient te maken dat die vordering van de beslaglegger ondeugdelijk is. Het is tevens de invulling en toepassing van deze opheffingsgrond waar de doctrinaire kritiek zich voornamelijk op richt. Dat het desondanks niet zonder kansen is om op deze grond een beslag opgeheven te krijgen blijkt uit de cijfers: in vijfenveertig van de 153 uitspraken in opheffingskortgedingen werd het beslag op deze grond opgeheven. Overigens werd op diezelfde grond in een vrijwel gelijk aantal gevallen het beslag niet opgeheven: in zevenenveertig zaken bleef het beslag liggen omdat de vordering niet summierlijk ondeugdelijk werd bevonden. Gezien de omvang van het aantal zaken waarin deze opheffingsgrond werd aangevoerd is een belangrijke factor bij de beoordeling uiteindelijk gelegen in de invulling die door voorzieningenrechters gegeven wordt aan het begrip ‘summierlijk ondeugdelijk’.
Door de bestendige lijn die de Hoge Raad hierin is gaan volgen is sedert het arrest Bijl/Van Baalen c.s. is een ontwikkeling zichtbaar waarbij tijdens een opheffingskortgeding prioriteit wordt toegekend aan de verhaalbaarheid hangende onzekerheid over de materiële gegrondheid van de hoofdvordering.7 De hoop en verwachting is dat, als gevolg van de veranderende benadering van de verhouding tussen de belangen van de beslaglegger en de beslagene in het algemeen (de herijking van vanzelfsprekendheden) en de veranderde beoordeling van beslagrekesten, de beoordeling in het opheffingskortgeding evenwichtiger zal worden.8