Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/20.4.2
20.4.2 Aandeelhoudersleningen als ‘informeel kapitaal’: een cirkelredenering
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS402399:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Herzog & Schweibel 1961, p. 93 en Orval & De Groot 2011, p. 104.
Zie par. 8.8.
Vgl. HR 18 oktober 2002, JOR 2002/234 (Buter q.q. en Tiethoff q.q./Besix en SVC De Vliert).
Hof ’s-Hertogenbosch 13 september 2011, LJN BV2214, r.o. 3.3.3. Het hof acht onder meer van belang of er schriftelijke overeenkomsten zijn, of de bedragen zijn gestort door de aandeelhouders van de vennootschap, onder welke titel naar de stortingen wordt verwezen in de correspondentie van de vennootschap en hoe de storting is verwerkt in de jaarrekening.
De in voornoemde rechtspraak geformuleerde notie dat een aandeelhouderslening moet worden achtergesteld omdat deze (onder bepaalde omstandigheden) kwalificeert als ‘informeel kapitaal’, kan evenmin overtuigen. Ten eerste wordt hiermee het onderscheid tussen een achtergestelde vordering en kapitaal miskend; als de rechter vaststelt dat de aandeelhouder geen vreemd vermogen aan de vennootschap heeft verstrekt maar kapitaal heeft gestort, komt men aan achterstelling in het geheel niet toe. In dat geval ontbreekt een vordering die kan worden achtergesteld; uit hoofde van zijn kapitaalstorting heeft de aandeelhouder uitsluitend recht op het restant ex art. 2:23b BW.1
De kwalificatie van aandeelhoudersleningen als informeel kapitaal sluit aan bij het Amerikaanse leerstuk van recharacterization, op basis waarvan rechters met oog op ‘de ware aard’ van de financiële inbreng, aandeelhoudersleningen aanmerken als kapitaal.2 In hoofdstuk 8 is geconcludeerd dat de toepassing van dit leerstuk in de VS omstreden is, nu geen consensus bestaat over de omstandigheden die aanleiding zouden moeten geven tot herkwalificatie. Als er onduidelijkheid bestaat over de juridische status van de betaling van de aandeelhouder aan de vennootschap, moet in Nederland op basis van het Haviltex-criterium aan de hand van de omstandigheden van het geval worden beoordeeld of partijen beoogden eigen vermogen of vreemd vermogen in te brengen.3 Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft in 2011 een aantal relevante omstandigheden geformuleerd die hierbij van belang kunnen zijn.4 In de zaken Carrier 1 en Ambacht bestond echter tussen partijen geen discussie over de juridische vorm van de gefourneerde middelen; partijen hadden uitdrukkelijk beoogd een kredietovereenkomst aan te gaan. Door in een dergelijk geval de aandeelhouderslening achter te stellen op grond van het argument dat deze kwalificeert als ‘informeel kapitaal’, bedient de rechter zich van een cirkelredenering. De kernvraag blijft daarmee immers onbeantwoord: waarom dient de aandeelhouderslening te worden aangemerkt als informeel kapitaal, en dus te worden achtergesteld?