Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.3.1.4.3:17.3.1.4.3 Beroepsfase
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.3.1.4.3
17.3.1.4.3 Beroepsfase
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500860:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het boeterechtelijk zwijgrecht voor de beroepsfase is zelfstandig geregeld in art. 8:28a Awb. Daarin is vastgelegd dat wanneer het beroep is gericht tegen een bestuurlijke boete, is de partij aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd niet verplicht omtrent de overtreding verklaringen af te leggen. Dit in afwijking van art. 8:27 en 8:28 Awb. Daarin is kort gezegd vastgelegd dat opgeroepen partijen een verschijnings- en een informatieplicht tegenover de rechter hebben. De vraag vanaf welk tijdstip het boeterechtelijk zwijgrecht geldt, doet zich bij de toepassing van art. 8:28a Awb vanzelfsprekend niet voor. De boete is dan al opgelegd.
Invloed abbp
Voor de samenloopproblematiek is nog van belang dat de belastingkamer van de HR de uitoefening van de inlichtingenbevoegdheid ex art. 47 AWR in de beroepsfase, op grond van de algemene beginselen van een behoorlijke procesorde niet toestaat, tenzij de rechter daarin toestemt. Deze toestemming (of het ontbreken daarvan) betekent niet dat de boeteling tegenover de inspecteur geen beroep op het boeterechtelijk zwijgrecht ex art. 5:10a Awb respectievelijk het EVRM-zwijgrecht toekomt. Rechter en inspecteur dienen een wettelijk of verdragsrecht, wanneer toepasselijk, te respecteren.