Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.3.1.4.2
17.3.1.4.2 Bezwaarfase
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497191:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 98. Ook na boeteoplegging kan in het kader van een bezwaarprocedure betreffende de boetebeschikking sprake zijn van (op art. 47 AWR steunend) feitelijk verhoor door de inspecteur. Vgl. de eerder genoemde uitspraak van de belastingkamer van de HR van 22 juni 2007,BNB 2007/292 (m.nt. De Bont).
R.o. 3.5.
Zie pt. 5 van de noot van Feteris onder het arrest en pt. 5.8 e.v. van de conclusie van Wattel bij het arrest. Zie ook Feteris 2002(b), p. 190 en Vakstudie Ned. Int. Belastingrecht, aant. 10.7.1 bij art. 6 EVRM.
Wel kan de vraag worden gesteld of de betrokkene die zijn bezwaar enkel kan motiveren door zichzelf te belasten, wel goede argumenten heeft om in bezwaar aan te voeren.
Zie § 4.2.2 hiervoor.
Zie § 17.9 hierna.
Op grond van afdeling 6.2 van de Awb en hoofdstuk V van de AWR, kan de boeteling bij de inspecteur bezwaar maken tegen de beschikking tot het opleggen van de boete.1 De behandeling van (de gronden van) het bezwaarschrift kan voor de inspecteur aanleiding zijn om (nader) onderzoek te doen; bijvoorbeeld omdat het bewijs waarop de boetebeschikking steunt bij nader inzien onjuist of onbetrouwbaar blijkt of voor het bewijs moet worden uitgesloten. In de bezwaarfase staat het de inspecteur vrij om de boeteling om (nadere) informatie te vragen en zo te proberen het bewijs voor de boete alsnog rond te krijgen.
Spanning motiveringsplicht en zwijgrecht
Een bijzonderheid die in de bezwaarfase speelt, is de motiveringseis van art. 6:5 Awb. Deze eis strekt ertoe heroverweging van het bestreden besluit mogelijk te maken. Wil een bezwaarschrift ontvankelijk zijn, dan moet de boeteling aangeven wat de gronden van zijn bezwaar tegen de (boete)beschikking zijn. Uit het arrest van de belastingkamer van de HR van 8 maart 2003, nr. 34 992, volgt dat de waarborgen van art. 6 EVRM meebrengen dat in zaken waarin een boete aan de orde is, die motivering summier mag zijn.2 Onder omstandigheden kan die ook erin bestaan dat de betrokkene stelt het met de voor de boete gegeven gronden niet eens te zijn en daarbij stelt dat standpunt niet nader te kunnen motiveren zonder zichzelf te incrimineren. Een dergelijke motivering zal in het algemeen mogelijk zijn zonder dat een verklaring wordt afgelegd ter zake van de gedragingen die aanleiding hebben gegeven tot de verhoging.3
In zijn noot onder deze uitspraak wijst Feteris erop dat de spanning tussen de motiveringsplicht en het zwijgrecht is beperkt tot specifieke situaties, in het bijzonder die waarin de bewijslast met betrekking tot de onderliggende fiscale correcties niet op de inspecteur rust (zoals steeds geldt met betrekking tot de opgelegde boete), maar op de boeteling zelf.4 Dit laat mijns inziens onverlet dat de boeteling die aangeeft dat hij zijn bezwaar tegen de boetebeschikking niet (nader) kan motiveren zonder zichzelf te belasten, zichzelf daardoor juist belast. Dit speelt ook wanneer hij ter motivering van zijn bezwaar aanvoert dat de beboetbare overtreding niet is bewezen.5 Enkel wanneer hij geen beboetbaar feit heeft begaan, hoeft hij niet te vrezen voor mogelijke zelfbelasting.
Zwijgen weegt mee in rechterlijke waardering bewijsmiddelen
Onder omstandigheden staat het EHRM toe dat bewijsgevolgen worden verbonden aan het zwijgen van de verdachte (vgl. John Murray).6 Wanneer deze proceshouding geen ‘bewijs’ oplevert, dan kan die houding toch (onbewust) meewegen in de waardering van de wel beschikbare bewijsmiddelen; ook in de latere beroepsprocedure tegen een afwijzende uitspraak op bezwaar (al zal dit wel niet in de uitspraak van de rechter zijn te lezen). Hier kan meespelen dat de belastingkamer van de HR, in lijn met de rechtspraak van het EHRM, onder omstandigheden toestaat dat een bestraffende sanctie (mede) steunt op bewijsvermoedens.7