Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/5.2.3.1
5.2.3.1 Strafsanctie of derdenbescherming?
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS449881:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Zie 2.2.2.2.3 onder a) hierboven.
HR 24 april 1970, NJ 1970, 406 m.nt. GJS (Romano Import), waarover 2.2.2.2.3 onder a) hierboven.
Vroeger Holtius en JPV, zie 2.2.2.2.1 onder a) hierboven, en thans Slagter, zie 2.2.2.2.3 onder a) hierboven.
Saleilles (1895), p. 22-23; zie 4.3 hierboven.
Zie 4.5 hierboven.
Zie 3.2.3.2.1 hierboven.
Slechts indien de gecommanditeerde vennoot insolvent is zal de bedrijvige commanditair de financiële gevolgen van zijn normschending zelf hebben te dragen.
Zo ook Slagter (Personenassociaties III), III.1.2.
Van oudsher is de heersende opvatting in Nederland dat de hoofdelijke verbondenheid die volgens art. 21 WvK een gevolg is van een schending van het bestuursverbod door de commanditaire vennoot is bedoeld als een strafbepaling. Deze is gericht op generale preventie: de hoofdelijke verbondenheid is een straf die tot doel heeft de commanditaire vennoot ervan te weerhouden dit verbod te overtreden.1 Dit karakter is voor de Hoge Raad ook de grond voor zijn weinig meegaande houding ten aanzien van de mogelijkheid tot relativering van de hoofdelijke verbondenheid wanneer de omstandigheden van het geval daartoe op zichzelf aanleiding zouden kunnen vormen.2 Slechts een enkele auteur in Nederland is van oordeel dat art. 21 WvK een dergelijk punitief karakter mist en dat dit artikel geen wijdere strekking heeft dan het beschermen van derden.3 Historisch lijkt deze laatste opvatting de beste papieren te hebben. In de late middeleeuwen was persoonlijke en doorgaans hoofdelijke aansprakelijkheid de norm wanneer twee of meer personen gemeenschappelijk met een winstoogmerk aan het economisch verkeer deelnamen. Een beperking van de aansprakelijkheid tot het bedrag van de inbreng van een vennoot werd alleen geaccepteerd onder de voorwaarde dat en zolang als deze vennoot zich niet inliet met het bestuur van de onderneming. Deed de beperkt aansprakelijke vennoot zulks toch, dan verviel daarmee de rechtsgrond voor de uitzondering op de regel en werd hij onbeperkt aansprakelijk geacht voor de vennootschapsschulden: indien derden iemand zien handelen als een besturend vennoot mogen ze deze ook voor een besturend en daarmee onbeperkt aansprakelijk vennoot houden. Het afzien van bestuurlijke invloed is in dit stelsel een rechtvaardigende voorwaarde voor een beperking van de aansprakelijkheid; indien aan deze voorwaarde niet wordt voldaan, namelijk door wel als bestuurder op te treden, dan vervalt de rechtvaardiging voor de uitzondering op de regel en herleeft de regel: de derde kan de bedrijvige commanditair weer als gewoon besturend vennoot aanmerken.4 In Frankrijk was5 en is6 deze opvatting nog altijd de heersende. Dat dit in Nederland niet zo is, is gelet op de Franse herkomst van de Nederlandse bepalingen inzake het bestuursverbod, opvallend. Ik zou er dan ook voor willen pleiten de bepaling van art. 21 WvK niet als een strafbepaling aan te merken, maar als een bepaling van derdenbescherming. Daarvoor is een drietal argumenten aan te voeren.
Noch de tekst, noch de wetsgeschiedenis van art. 21 WvK nopen tot de uitleg dat de gevolgen die de wet aan overtreding van het bestuursverbod verbindt als een straf zijn bedoeld.
Wanneer aan art. 21 WvK een strafkarakter wordt ontzegd heeft dat het voordeel dat de alom gewraakte strengheid die art. 21 WvK in de huidige uitleg kenmerkt kan worden gemitigeerd: juist het veronderstelde strafkarakter van art. 21 WvK is voor de Hoge Raad de reden geweest dit artikel op een weinig buigzame manier te interpreteren.
Een benadering waarbij art. 21 WvK niet als een strafbepaling wordt gezien sluit beter aan bij de heersende opvatting dat de bedrijvige commanditaire vennoot die op grond van het verrichten van bestuurshandelingen onbeperkt aansprakelijk is geworden, regres heeft op de besturende vennoten voor hetgeen hij mocht hebben betaald aan derden die hem op grond van art. 21 WvK aansprakelijk hebben gesteld: een sanctie waarvan de gevolgen door degene aan wie deze is opgelegd normaliter7 volledig op een ander kunnen worden afgewenteld kan niet als een straf worden aangemerkt.
Bij de voorstellen tot wijziging van de wettekst die ik later in dit onderdeel zal doen ga ik ervan uit dat art. 21 WvK geen strafkarakter heeft en zijn bestaansgrond uitsluitend vindt in de wens derden te beschermen.8