Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/3.4.4.1
3.4.4.1 EVRM en EHRM
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS469262:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Overigens kan artikel 3 van het EVRM, het verbod op onder andere een ‘inhuman and degrading punishment’, naar mijn mening wel als een begin van een uitwerking van het proportionaliteitsbeginsel worden gezien. Hetzelfde geldt mijns inziens voor de bepalingen van het 6e protocol bij het EVRM inzake de afschaffing van de doodstraf. Beide regelingen wijzen in de richting dat het EVRM wél rechtsnormen (gedragsvoorschriften, i.c. een nalaten) formuleert daar waar het objectief, buitenproportionele straffen betreft. Aangezien een geldboete i.h.a. niet onder de scope van artikel 3 of 5 van het EVRM of onder het 6e protocol valt, zal ik hier niet op ingaan (zie ook Feteris, M.W.C., 1993, p. 646, nt. 333).
Zie bijvoorbeeld ook de door het EHRM herhaalde overweging van het Zweedse Supreme Court inzake fiscale bestuurlijke ‘surcharges’ (EHRM 23 juli 2002, appl.no. 36985/97 (Västberga Taxi)).
Een onderzoek naar feiten en omstandigheden kan pas zorgvuldig zijn als de onderzoeker zich vooraf bewust is van het doel van het onderzoek. Bij individuele straftoemeting gaat het dan voornamelijk om het achterhalen van feiten en omstandigheden die een evenredige belangenafweging mogelijk maken. Het evenredigheidsbeginsel bepaalt dus mede de reikwijdte en diepgang van het uit te voeren onderzoek.
In het EVRM staat geen expliciete rechtsnorm die verwijst naar de regel dat een straf in verhouding moet staan tot de ernst van de gedraging.1 Dat neemt niet weg dat het proportionaliteitsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel wel degelijk in het EVRM besloten ligt. Dit volgt reeds uit de aanbevelingen in de Recommendation ‘Consistency in sentencing’.2
Uit de jurisprudentie van het EHRM komt het beeld naar voren dat het zorgvuldigheidsbeginsel bij proportionele bestraffing vooral gestalte krijgt als onderdeel van een ‘fair trial’ op grond van artikel 6 EVRM.