Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.8.3
7.8.3 Hof van Justitie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291270:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De definiëring van het begrip ‘servicekosten’ in het besluit Staatssecretaris van Financiën van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 7.4.4 als bedragen die de verhuurder aan de huurder doorberekent voor door of namens/in opdracht van de verhuurder te verzorgen bijkomende leveringen en diensten, acht ik daarom suggestief.
HvJ EU 27 september 2012, zaak C-392/11, BNB 2013/4, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 19 (Field Fisher Waterhouse).
HvJ EU 27 september 2012, zaak C-392/11, BNB 2013/4, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 23 (Field Fisher Waterhouse).
HvJ EU 27 september 2012, zaak C-392/11, BNB 2013/4, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 25 (Field Fisher Waterhouse).
HvJ EG 11 juni 2009, zaak C-572/07, V-N 2009/29.17, r.o. 22 (Tellmer Property) en HvJ EU 16 april 2015, zaak C-42/14, V-N 2015/22.19.9, r.o. 35 (Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawie).
HvJ EU 16 april 2015, zaak C-42/14, V-N 2015/22.19.9, r.o. 45 (Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawie).
HvJ EU 16 april 2015, zaak C-42/14, V-N 2015/22.19.9, r.o. 45 (Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawie).
HvJ EU 16 april 2015, zaak C-42/14, V-N 2015/22.19.9, r.o. 39 en 45 (Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawie). In gelijke zin: R.A. Wolf, Omzetbelasting en onroerend goed (FED Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 118.
HvJ EG 11 juni 2009, zaak C-572/07, V-N 2009/29.17 (Tellmer Property).
In gelijke zin: Redactie V-N, aantekening bij HvJ EU 27 september 2012, zaak C-392/11, V-N 2012/52.22 (Field Fisher Waterhouse).
Dit blijkt uit de eerste prejudiciële vraag in deze zaak.
HvJ EG 11 juni 2009, zaak C-572/07, V-N 2009/29.17 (Tellmer Property), r.o. 12. Anders: T. Vroon, ‘1+1=1’, BtwBrief 2012/141, J.A.M. Leijten, ‘Verhuur-plus, één met btw-belaste dienst of toch niet?’, WFR 2013/7009, p. 868, O. Henkow, ‘Defining the tax object in composite supplies in European VAT’, World Journal of VAT/GST Law December 2013, p. 197, G.B Markink, ‘Btw aspecten van verhuur’, Tijdschrift voor Huurrecht Bedrijfsruimte 2014/1, p. 10 en M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 332 die (veronder)stellen dat het Field Fisher Waterhouse-arrest een nuancering is van het Tellmer Property-arrest. Naar mijn mening is in r.o. 26 van het Field Fisher Waterhouse-arrest geen nuancering van het Tellmer Property-arrest te lezen. Hierin overweegt het Hof dat het enkele feit dat het mogelijk zou zijn dat een derde deze dienst afzonderlijk (lees: los van de verhuur) verricht niet beslissend is, omdat dit inherent is aan een samengestelde prestatie. Het Hof refereert hier niet aan de omstandigheid dat de huurder op grond van de huurovereenkomst de mogelijkheid heeft om een prestatie rechtstreeks van een derde te betrekken, maar aan de omstandigheid dat de verhuurder met de huurder overeen had kunnen komen dat een derde deze prestatie zou verrichten. Dit wordt naar mijn mening duidelijker indien r.o. 26 gelezen wordt in samenhang met de eerste prejudiciële vraag. Hierin vraagt de verwijzende rechter naar de relevantie van de omstandigheid ‘dat de diensten konden worden (maar feitelijk niet zijn) verricht door andere personen dan de verhuurder, hoewel de huurder krachtens de bepalingen van de huurovereenkomst geen andere keuze had dan de diensten te betrekken bij de verhuurder’.
HvJ EU 16 april 2015, zaak C-42/14, V-N 2015/22.19.9, r.o. 45 (Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawie).
HvJ EU 27 september 2012, zaak C-392/11, BNB 2013/4, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 23 en25 (Field Fisher Waterhouse).
Indien de verhuurder op grond van de huurovereenkomst niet alleen de huurprijs voor het enkele gebruik van het onroerend goed, maar ook servicekosten in rekening brengt, is sprake van een samengestelde prestatie. Zoals in paragraaf 4.4.4 is opgemerkt, geldt voor een dergelijke prestatie als uitgangspunt dat elke handeling voor de btw-heffing afzonderlijk in aanmerking moet worden genomen. De prestaties waarvoor de servicekosten in rekening worden gebracht moeten voor de btw-heffing daarom in beginsel afzonderlijk van de verhuur van het onroerend goed in aanmerking worden genomen. Dit is slechts anders indien deze prestaties:
zo nauw met de verhuur van het onroerend goed zijn verbonden dat zij objectief gezien één ondeelbare economische handeling vormen waarvan splitsing kunstmatig zou zijn;
bijkomende prestaties zijn ten opzichte van de verhuur van het onroerend goed die het ‘btw-lot’ van de verhuurdienst delen.1
Of de servicekosten de vergoeding vormen voor één of meerdere afzonderlijke prestaties dan wel de huurprijs inclusief de vergoeding voor de servicekosten de vergoeding vormt voor één dienst die kwalificeert als verhuur of verhuur plus dient beoordeeld te worden aan de hand van de omstandigheden van het geval.2 Het gaat dus om een casuïstische beoordeling. Hierbij is de inhoud van de huurovereenkomst in het bijzonder van belang.3 In de jurisprudentie van het Hof van Justitie zijn diverse indicatoren pro en contra zelfstandigheid van de ‘serviceprestaties’ te vinden. Zo is de omstandigheid dat de servicekosten in de huurovereenkomst zijn geregeld, een indicatie dat sprake is van één dienst. Doorslaggevend is deze omstandigheid echter niet.4 Dat is naar mijn mening ook logisch, aangezien servicekosten – in ieder geval in de Nederlandse praktijk – nagenoeg altijd in de huurovereenkomst zijn geregeld. Is voor de huur en de servicekosten een all-in prijs bedongen, dan vormt dit een aanwijzing dat sprake is van één dienst, terwijl een splitsing van de prijs in een huurprijs en de servicekosten – hetgeen in Nederland gebruikelijk is – wijst op het tegenovergestelde. Hetzelfde heeft te gelden voor het al dan niet afzonderlijk in rekening brengen (op de factuur) van de huurprijs en de servicekosten (zie paragraaf 4.4.4).
Het Hof van Justitie lijkt een bijzonder gewicht toe te kennen aan de omstandigheid of de huurovereenkomst de huurder toestaat om de serviceprestatie(s) niet van de verhuurder, maar rechtstreeks van een derde af te nemen.5 Het is van belang erop te wijzen dat het hierbij niet gaat om hetgeen de huurder met de verhuurder overeen had kunnen komen, maar hetgeen hij met de verhuurder overeengekomen is.6 Heeft de huurder op grond van de huurovereenkomst de mogelijkheid – het gaat om de mogelijkheid en niet om het benutten daarvan! – om de serviceprestatie(s) rechtstreeks af te nemen van een derde, dan is dit een aanwijzing dat de serviceprestatie zelfstandig is.7 Indien de huurprijs en de servicekosten ook afzonderlijk op de factuur worden vermeld, dan lijkt zelfs aangenomen te moeten worden dat de servicekosten de vergoeding vormen voor één of meerdere afzonderlijke prestaties.8 Dit verklaart waarom het Hof van Justitie in de zaak Tellmer Property heeft geoordeeld dat de schoonmaak van de gemeenschappelijke ruimten door de conciërge een afzonderlijke dienst was.9 Is de huurder op grond van de huurovereenkomst verplicht om de serviceprestatie(s) van de verhuurder af te nemen, dan vormt dit een aanwijzing dat deze prestaties zelfstandigheid ontberen. Dat het Hof van Justitie in de zaak Field Fisher Waterhouse tendeert naar de beslissing dat de servicekosten niet de vergoeding vormen voor afzonderlijke prestaties maar opgaan in de verhuur van onroerend goed10, kan mede door deze omstandigheid worden verklaard. In deze zaak stond namelijk vast dat de huurder op grond van de huurovereenkomst gehouden was de serviceprestaties (watervoorziening, verwarming in het gehele kantoorgebouw, reparatie van het gebouw en de beveiliging van het gebouw) van de verhuurder af te nemen.11 Op dit punt verschilt de feitelijke situatie in de zaak Field Fisher Waterhouse dus met die in de zaak Tellmer Property.12 Ten aanzien van de nutsvoorzieningen heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat als er individuele meters zijn geïnstalleerd en de facturatie plaatsvindt aan de hand van het werkelijke verbruik, dit een belangrijke aanwijzing is dat de levering van de nutsvoorzieningen een afzonderlijke prestatie is.13
Zoals reeds is opgemerkt, tendeert het Hof van Justitie in de zaak Field Fisher Waterhouse naar de beslissing dat de servicekosten niet de vergoeding vormen voor afzonderlijke prestaties maar opgaan in de verhuur van onroerend goed. Het Hof overweegt in dit kader dat de prestaties waarvoor de servicekosten de vergoeding vormde – watervoorziening, verwarming in het gehele kantoorgebouw, reparatie van het gebouw en de beveiliging van het gebouw – voor de modale huurder van een commerciële ruimte niet geacht kunnen worden een doel op zich te zijn, maar eerder een middel om de verhuur van het kantoorgebouw zo aantrekkelijk mogelijk te maken.14 Hieruit is op te maken dat als de terbeschikkingstelling van onroerend goed in combinatie met prestaties waarvoor servicekosten in rekening worden gebracht één dienst is, in de regel sprake is van een verhuurdienst die in beginsel vrijgesteld is. Steun hiervoor is naar mijn mening te vinden in het Wojskowa Agencja Mieszkaniowa w Warszawie-arrest waarin het Hof van Justitie twee situaties met name noemt waarin sprake is van een van rechtswege belaste (verhuur)dienst. Het eerste voorbeeld is de ‘verhuur’ van sleutelklare kantoorgebouwen die dankzij de levering van nutsvoorzieningen en andere prestaties (internet, meubilair etc) meteen gebruiksklaar zijn. Het tweede voorbeeld is de kortetermijnverhuur, met name voor vakanties (zie paragraaf 7.6.1) of voor professionele doeleinden, die samen met de ‘serviceprestaties’ worden aangeboden zonder dat laatstbedoelde prestaties ervan kunnen worden gescheiden. In beide situaties gaat het niet om de ‘normale’ verhuur van woon- of bedrijfsruimte in combinatie met het in rekening brengen van servicekosten.