Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/3.2.3.3
3.2.3.3 Feitelijke en functionele eenheid
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS392472:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Hoge Raad heeft in de kabelarresten het standpunt van het Hof dat een net, inclusief zijn bestanddelen, een feitelijke en functionele eenheid vormt, overgenomen. Hoewel dit waarschijnlijk door het Hof wel is beoogd, houdt de constatering dat een net een feitelijke en functionele eenheid is, niet automatisch in dat het net als één zelfstandige zaak is aan te merken. Een verzameling boeken in een bibliotheek of een kudde dieren zou ook als een feitelijke en functionele eenheid kunnen worden beschouwd, maar daarmee is niet gezegd dat alle boeken in de bibliotheek of alle dieren in de kudde samen als één object kunnen worden aangemerkt. Een kudde of bibliotheek zou verbintenisrechtelijk nog wel als eenheid verkocht kunnen worden; goederenrechtelijk dienen alle individuele goederen afzonderlijk te worden geleverd. Kortom, hoewel dit wellicht is verondersteld, heeft het Hof (en dus ook de Hoge Raad) zich niet expliciet uitgelaten over de vraag of een net, inclusief alle bestanddelen, een zaakseenheid vormt.
Kamerstukken II 2005/06, 29 834, nr. 12, p. 15.
Kamerstukken 11 2005/06, 29 834, nr. 12, p. 16.
Kamerstukken II 2005/06, 29 834, nr. 12, p. 5.
Zie verder de website http://www.riool.net, van Stichting Rioned (koepelorganisatie voor rioleringszorg).
Zie: http://www.vng.nl onder VNG-brieven, brief van 30 juli 2007.
De afbakening van het beheer kan in het rioleringsplan worden vastgelegd. Onder dit beheer vallen: dagelijks onderhoud, reparatie en vervanging.
Stb. 2007, 276.
Grondslag is nieuw artikel 228a Gemeentewet.
Kamerstukken II 2005/06, 30 578, nr. 3, p. 49.
Kamerstukken H2005/06, 30 578, nr. 6, p. 4: 'Overigens betekent de beleidsvrijheid van de gemeente niet dat de burger de gemeente nooit aansprakelijk zou kunnen stellen. De wettelijke verankering van de gemeentelijke grondwaterzorgplicht biedt op dit punt voor een particulier juist een aanknopingspunt om een claim door de burgerlijke rechter te laten toetsen, daar waar vroeger een inhoudelijke behandeling van een dergelijke claim vaak achterwege bleef wegens het ontbreken van een publiekrechtelijke zorgplicht voor gemeenten om grondwaterproblemen in stedelijk gebied aan te pakken. In de jurisprudentie ( ...), is inmiddels een stelsel ontstaan volgens welke vermeend verzaken van zorgplichten wordt getoetst. De rechter zal toetsen of de gemeente binnen het kader van de opgelegde inspanningsverplichting redelijkerwijs tot de gemaakte afweging had kunnen komen. Niet alleen de invulling van de zorgplicht maar ook de maatregelen zelf zullen door de rechter kunnen worden getoetst, waarbij ook wordt bezien of de gemeente heeft gehandeld in overeenstemming met het zorgvuldigheidsbeginsel en andere beginselen van behoorlijk bestuur: .
Rb Den Haag 15 april 2009, NJF 2009, 192.
Dit oordeel van de rechtbank is niet helemaal juist omdat de wetgever niet heeft geconstateerd dat een net een feitelijke en functionele eenheid zou zijn. De Hoge Raad heeft in de kabelarresten het uitgangspunt van het Hof gevolgd dat een net een zelfstandige functionele eenheid is. De wetgever heeft vervolgens op basis daarvan vastgesteld dat een net als een zelfstandige (onroerende) zaak moet worden beschouwd.
In de uitspraak staat: 'De gemeente heeft dit betwist en ter onderbouwing van die betwisting verwezen naar de volgende omstandigheden. Het voorlopig koopcontract is getekend vóór de aanleg van de riolering, zodat [A.] op het moment van aanleg reeds economisch eigenaar van de grond was. Aan [A.] is een bouwvergunning verleend voor het winkelcentrum, waarin de volgende bepaling is opgenomen: 'Aansluiting op het gemeenteriool geschiedt van gemeentewege op verzoek en op kosten van belanghebbende'. In de akte van levering staat de volgende slotbepaling: 'de op het verkochte perceel inmiddels gestichte opstallen zijn in opdracht en voor rekening van de verkrijger aangebracht'. ' Uit deze aangevoerde feiten zou best de conclusie getrokken kunnen worden dat de projectontwikkelaar als bevoegd aanlegger was te beschouwen.
In de kabelarresten heeft de Hoge Raad als uitgangspunt overgenomen dat het ontvangststation, de versterkers en de verdeelkasten een feitelijke en functionele eenheid vormen met het kabelnet. De wetgever heeft dit uitgangspunt zodanig geïnterpreteerd dat een net voor het vermogensrecht als één zelfstandige (onroerende) zaak moet worden beschouwd, zij het dat deze zaak deelbaar kan zijn. Door de nieuwe eigendomsregeling wordt immers de verticale natrekking en daarmee de versnippering van de eigendom van een leidingnet, tegengegaan. De nieuwe regeling bevordert de `horizontale eigendom' van het net als 'eenheidszaak' 1 Uit de definitie van een net in een sectorale wet kan volgen dat een net in de zin van het BW bepaalde objecten omvat die aldus tot dat net behoren. Bestaat geen afzonderlijke wettelijke definitie dan wordt het antwoord op de vraag wat als bestanddeel tot het net behoort, bepaald door artikel 3:4 BW. Vervolgens bepaalt artikel 5:3 BW aan de hand van het feit of er bestanddelen zijn dat de eigendom van de zaak ook al haar bestanddelen omvat.2 Het feit dat een net een feitelijke en functionele eenheid vormt heeft tot gevolg dat kabels en leidingen die tot een net behoren en die in of aan gebouwen of werken van anderen zijn of worden aangelegd, eigendom blijven van de eigenaar van het net en geen bestanddeel worden van de gebouwen of werken van anderen. Let wel, het betreft hier delen van het net die zich technisch gesproken vóór het aansluitpunt met de afnemer of abonnee bevinden en die niet tot de installatie van de gebruiker behoren. Het zou onredelijk zijn om de doorknip van de natrekking door de grond niet ook te laten gelden voor gebouwen of werken. De eigenaren van die gebouwen of werken hebben ook niet veel aan de eigendom van dat stukje van het net tot aan het aansluitpunt, ook niet als dat stukje in of aan het gebouw is aangebracht, aldus de toelichting. Overigens wordt hieraan de conclusie verbonden dat de bevoegde aanlegger de bevoegdheid heeft het gedeelte van het net dat in of aan een gebouw of werk van een ander is gelegen, te inspecteren, onderhouden, repareren of te verwijderen.3 In de toelichting wordt gesproken dat de hiervoor genoemde bevoegdheden — ten behoeve van het gedeelte dat in of aan een gebouw van een ander is aangebracht — toebehoren (cursivering: BJ) aan de aanlegger/eigenaar van het net. Op zich lijkt dit een logisch uitgangspunt, maar volgt hieruit dat de eigenaar van het gebouw deze bevoegdheden van de aanlegger/eigenaar moet gedogen? De nieuwe regeling regelt enkel de goederenrechtelijke positie van de aanlegger en derhalve zal de eigenaar van de opstal het onderhoud aan een in of aan zijn opstal gelegen net eerder dus moeten gedogen op grond van het burenrecht dan op basis van de nieuwe regeling. Het is minder fraai dat de wetgever het gedogen van bijvoorbeeld onderhoud aan netten door een naburige eigenaar niet nader uitgewerkt heeft in het burenrecht aangezien onderhoud, maar ook de aanleg van of toegang tot een net een wezenlijk onderdeel is van de uit te oefenen eigendomsrechten. In het volgende hoofdstuk zal verder ingegaan worden op de rechten en plichten die de neteigenaar ten opzichte van de eigenaar van een gebouw of grondeigenaar heeft (of: zou moeten hebben) en hoe dit in het burenrecht tot uitdrukking zou kunnen komen.
Huisaansluitingen
Tijdens de parlementaire behandeling werd de vraag gesteld of de nieuwe regeling tot gevolg zou hebben dat de afnemer, die zelf een aansluiting maakt op het elektriciteitsnet, zijn aansluiting kwijtraakt doordat deze tot het (totale) net zal behoren. Het antwoord van de minister was dat indien afnemers zelf aansluitingen op netten bezitten en deze niet juridisch hebben afgescheiden van het net waaraan zij verbonden zijn, deze aansluitingen door het net worden nagetrokken. Deze afnemers zijn in een dergelijke situatie de juridische eigendom van de aansluitingen kwijt op grond van horizontale natrekking als gevolg van artikel 3:4 jo. 5:20, tweede lid BW. Alsdan worden deze aansluitingen als bestanddelen van het net beschouwd. De netdefinitie in de Elektriciteitswet 1998 bevestigt dit. Volgens de minister is deze situatie niet ontoelaatbaar:4
`de betreffende aansluitingen worden alleen maar door de afnemer zelf aangelegd omdat hij dat goedkoper kan doen dan de netbeheerder. Zou hij dit overlaten aan de netbeheerder, dan draait hij in de praktijk voor de aanlegkosten van de netbeheerder op. De afnemer die zelf een aansluiting aanlegt weet dat hij dit doet voor de netbeheerder en hij doet dit slechts met het oogmerk om kosten op de aanleg te besparen die anders door de netbeheerder bij hem in rekening zouden worden gebracht.(...) De keuze voor zelf aanleggen van een aansluiting is er dus een uit hoofde van kostenbesparing en is er door de afnemer niet op gericht een zaak aan zijn vermogen toe te voegen. De afnemer dient te beseffen dat «zijn» aansluiting niet zijn eigendom zal worden. Aan de onteigeningsvraag wordt in dit geval daarom niet toegekomen.'
Huisaansluitingen voor elektriciteit worden, gelet op de omschrijving in de Elektriciteitswet, geacht onderdeel uit te maken van het hoofdnet en dus valt de eigendom van de huisaansluitingen toe aan de aanlegger van het hoofdnet.5 Voor diverse andere netten, bijvoorbeeld riolering, bestaat geen algemene omschrijving en dus is het aan de verkeersopvattingen of huisaansluitingen van riool wel of niet worden nagetrokken door de hoofdriolering. Doorgaans wordt er vanuit gegaan dat de gemeente eigenaar is van het gedeelte van de riolering dat in gemeentegrond ligt en dat de perceeleigenaar eigenaar is van het gedeelte van het riool dat in zijn grond gelegen is. Om die grensafbakening vast te stellen wordt er, in beginsel, van uitgegaan dat drie logische grensafbakeningen mogelijk zijn tussen het particuliere en openbare riooldeel:
op 50 cm van de gevel van het gebouw (de grens tussen binnen- en buitenriolering conform NEN 3215);
op de perceelgrens of nabij de perceelgrens ter hoogte van het ontstoppingsstuk;
tot aan het hoofdriool/de hoofdriolen in de openbare weg.
De meest gebruikte grens waar het particuliere riool eindigt en het gemeentelijke riool begint ligt ter plaatse van het ontstoppingsstuk binnen 0.5 m van de perceelsgrens.6 Als de nieuwe eigendomsregeling wordt toegepast kan gesteld worden dat de gemeente eigenaar is van het gedeelte van het riool dat door de gemeente (of: namens de gemeente) is aangelegd. Aangezien in veel gemeenten geldt dat de perceeleigenaar zijn eigen aansluiting op het gemeenteriool moet regelen, zou verondersteld kunnen worden dat thans de perceeleigenaar eigenaar is van het deel van de riolering dat loopt vanaf de huisaansluiting tot zijn opstal; het gedeelte dat hij zelf — tot aan het gemeenteriool — heeft aangelegd. In dat opzicht verandert de nieuwe eigendomsregeling de eigendomsverhoudingen ten aanzien van het riool niet. De gemeente zou zijn rechten ten aanzien van het gemeenteriool kunnen inschrijven in de openbare registers, evenals dat perceeleigenaren dat kunnen doen voor het gedeelte van het riool vanaf de huisaansluiting tot aan de opstal. Er zullen echter situaties zijn dat niet duidelijk (meer) is wie welk gedeelte van het riool of huisaansluiting heeft aangelegd. Indien geen inschrijving heeft plaatsgevonden dan zal op grond van de verkeersopvattingen of horizontale natrekking het heel goed mogelijk kunnen zijn dat de huisaansluitingen wél tot de eigendom van de gemeente worden gerekend. Volgens de VNG wijzigt de nieuwe eigendomsregeling het gemeentelijk rioleringsbeleid niet. In een brief aan haar leden schrijft de VNG:7
`Over de afgrenzing van het rioolnet geeft de wetgever geen duidelijkheid. De wetswijziging beoogt echter geen wijziging teweeg te brengen in het gemeentelijk rioleringsbeleid. Het staat gemeenten vrij om, onafhankelijk van de eigendomsverhoudingen, het beheer en onderhoud van de riolering te regelen. Zo zijn er gemeenten die zelf verantwoordelijk zijn voor het beheer en onderhoud van de huisaansluitingen in gemeentegrond. Andere hebben er bijvoorbeeld voor gekozen het beheer en onderhoud van het gedeelte van de huisaansluiting in gemeentegrond over te laten aan de particulier.'
Beheer en onderhoud behoren tot de gemeentelijke huishouding (artikel 108 Gemeentewet) en zijn daarmee taken van de gemeente. De gemeente is bevoegd daarvoor regels op te stellen, die, volgens de VNG, niet afhankelijk zijn van de eigendomsverhoudingen. Dit zou volgen uit de artikelen 4:22-24 Wet milieubeheer, waarin de gemeentelijke zorgplicht voor riolering omschreven staat en die gemeenten verplichten een rioleringsplan8 vast te stellen. Omdat het gemeenten vrij staat te bepalen hoe het beheer en onderhoud van de gemeentelijke riolering plaatsvindt, kan het zijn dat in sommige gemeenten de perceelseigenaar voor eigen rekening het onderhoud moet verrichten van het particuliere gedeelte van het riool. Wanneer hiervoor compensatie wordt gegeven (verlaging rioolheffing) maakt de eigendomsvraag betreffende het particuliere gedeelte van het riool — zoals de VNG stelt — inderdaad niet veel uit. Dit ligt anders indien er geen compensatie wordt gegeven aan perceelseigenaren voor onderhoud van het particuliere gedeelte; zeker wanneer het particuliere gedeelte wellicht ook nog in eigendom kan toebehoren aan de gemeente. Aangezien sinds de aanpassing van de Gemeentewet en de Wet milieubeheer9 gemeenten een zorgplicht hebben voor doelmatige inzameling en transport van afvalwater, zou het voorgaande kunnen inhouden dat particulieren het beheer en onderhoud van het particuliere gedeelte van het riool bijvoorbeeld toch van de gemeente kunnen afdwingen (ondanks het bepaalde in het rioleringsplan). Zeker nu de (nieuwe) rioolheffing10 kan worden geheven dat gezien wordt als een bestemmingsheffing; hetgeen inhoudt dat in de relatie met de belastingplichtige geen sprake hoeft te zijn van een rechtstreekse tegenprestatie in de vorm van een verleende dienst of een voorziening waarvan de belastingplichtige gebruik maakt.11 Met andere woorden het zou mogelijk kunnen zijn dat een perceelseigenaar het particuliere gedeelte van het riool (voor eigen rekening) dient te onderhouden en daarnaast (de volledige) rioolheffing moeten gaan betalen omdat dit een bijdrage is aan de overall kosten van de gemeente voor inzameling en transport van afvalwater. Het feit dat de perceelseigenaar wellicht geen eigenaar is van het particuliere gedeelte van het riool kan mogelijkerwijs ertoe leiden dat de aan hem door de gemeente opgelegde plicht tot onderhoud van het particuliere gedeelte van het riool onrechtmatig wordt geacht. Naast het 'dubbel' betalen van onderhoudskosten, zou de perceelseigenaar verplicht zijn eigendommen te onderhouden die niet van hem zijn, terwijl de gemeente op grond van de Wet milieubeheer een zorgplicht heeft voor gemeentelijke watertaken (waaronder beheer en onderhoud van het riool worden begrepen). Aangezien deze zorgplicht wettelijk is verankerd heeft de particulier wellicht een aanknopingspunt om een claim in te dienen bij de burgerlijke rechter wanneer de gemeente niet zorgvuldig heeft gehandeld.12 Het zal dus aan de omstandigheden kunnen liggen (inhoud rioleringsplan, wel/geen compensatie voor onderhoud particuliere gedeelte door perceeleigenaar enz.) of de nieuwe eigendomsregeling ten aanzien van het gemeentelijk riool mogelijk (enige) invloed heeft op het gemeentelijk rioolbeleid.
Uitspraak rechtbank Den Haag
Over de eigendom van een riolering is recent een uitspraak gedaan door de rechtbank te Den Haag.13 In deze zaak ging het om de vraag wie eigenaar was van het vuilwater- en hemelwaterriool (excl. de huisaansluitingen) onder een terrein (de Winkelhof) dat ontwikkeld was door een projectontwikkelaar. De betreffende ontwikkelaar had de grond van de gemeente gekocht en daarin de genoemde riolering aangelegd. Deze riolering was op diverse punten aangesloten op het omliggende (gemeentelijke) rioleringsstelsel. De VvE — van de appartementen die op het terrein waren verwezenlijkt — vorderde een verklaring voor recht dat de gemeente eigenaar was van de riolering (onder het terrein) én tevens dat de gemeente de kosten van beheer en onderhoud van de riolering diende te dragen. De gemeente betwistte dat ze eigenaar was van de riolering en stelde dat dit een particulier deelnet was dat eenvoudig kon worden afgesloten van de gemeentelijke riolering en dat er een kenbare grens is tussen de gemeentelijke riolering en de riolering op het terrein, te weten de perceelgrens.
In de beoordeling onderzoekt de rechtbank als eerste of artikel 5:20, tweede lid BW van toepassing is. De VvE heeft namelijk aangevoerd dat de gemeente moet worden aangemerkt als bevoegde aanlegger. De gemeente betwistte dit vervolgens gemotiveerd, waarna de VvE geen nieuw bewijs heeft aangedragen ter onderbouwing van haar stelling. De rechtbank stelt:
`Na deze gemotiveerde betwisting door de gemeente heeft de VvE haar stelling dat de gemeente opdrachtgever van [A.] was onvoldoende (met stukken) onderbouwd, zodat zij niet zal worden toegelaten tot het door haar aangeboden bewijs daarvan.'
(...)
`Nu het beroep op het tweede lid van artikel 5:20 BW niet kan slagen, komt de rechtbank toe aan de vraag of het riool onder de Winkelhof wordt nagetrokken door een aan de gemeente toebehorende onroerende zaak in de zin van artikel 5:20 lid 1, aanhef en onder e, laatste zinsnede BW.'
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of artikel 5:20, eerste lid onder e BW van toepassing zou zijn. De rechtbank oordeelt dat bij het bepalen van de grens tussen een net en een particuliere aansluiting van belang is dat voor openbare riolering geldt dat bij gemeentelijke verordening kan worden bepaald wat tot het hoofdriool behoort en waar de huisaansluiting begint. In deze zaak staat vast dat de gemeente géén aansluitverordening heeft vastgesteld, wat betekent, volgens de rechtbank, dat ook de grens tussen het gemeentelijke net en de particuliere aansluiting zal moeten worden bepaald aan de hand van de verkeersopvatting:
`Vast staat dat in het onderhavige geval de perceelgrens de enige kenbare grens tussen het riool onder de Winkelhof en de gemeentelijke riolering vormt. Op of nabij die perceelgrens bevinden zich geen aansluitpunten of ontstoppingsstukken die de grens tussen de beide rioolstelsels markeren. Aldus kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een redelijk kenbare afscheiding tussen het riool onder de Winkelhof en de gemeentelijke riolering. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het riool onder de Winkelhof niet kan worden aangemerkt als een particulier deelnet van de gemeentelijke riolering. Dit betekent dat moet worden geconcludeerd dat de gemeentelijke riolering en het riool onder de Winkelhof samen één net vormen.'
Dit oordeel komt volgens de rechtbank overeen met de constatering van de wetgever dat een net een feitelijke en functionele eenheid14is. Het particuliere deelnet wordt (als bestanddeel) horizontaal nagetrokken door de gemeentelijke riolering. De gemeente is daardoor eigenaar van het in particuliere grond gelegen deelnet en zal het beheer en de kosten van onderhoud moeten dragen.
Deze uitspraak van de rechtbank Den Haag is een van de eerste (gepubliceerde) uitspraken waarin met betrekking tot de eigendomsvraag betreffende een net aan artikel 5:20, tweede lid BW wordt getoetst. Het illustreert dat bij eventuele toepassing van de nieuwe eigendomsregeling eerst nog een (belangrijke) voorvraag moet zijn beantwoord voordat überhaupt geoordeeld kan worden of een partij als bevoegd aanlegger van een net kan worden beschouwd. De voorvraag die beoordeeld moet worden is namelijk of sprake is van een zelfstandige onroerende zaak. Immers wanneer het net niet als een zelfstandige zaak kan worden aangemerkt, kan artikel 5:20, tweede lid BW niet worden toegepast. Uit de parlementaire geschiedenis moet worden afgeleid dat de eigendomsregeling alleen ziet op netten die een zelfstandige functionele eenheid zijn. Wanneer sprake is van een deelnet dat als bestanddeel van het hoofdnet moet worden beschouwd (volgens wettelijke bepaling, dan wel verkeersopvatting) dan zal het deelnet toebehoren aan de eigenaar van het hoofdnet door middel van horizontale natrekking. In de onderhavige zaak komt de rechtbank uiteindelijk tot deze conclusie en oordeelt dat de gemeente — als eigenaar van de hoofdriolering — eigenaar is van het deelnet onder het terrein van de Winkelhof. De rechtbank komt echter niet tot dit oordeel op basis van een logische redenering. De rechtbank oordeelt dat omdat de VvE niet (verder) motiveert dat de gemeente als bevoegde aanlegger kan worden beschouwd, het beroep op artikel 5:20, tweede lid BW niet kan slagen en dus dat op basis van de horizontale natrekking de eigendomsvraag moet worden beantwoord. Deze redenering was spaak gelopen indien de gemeente in de procedure had gesteld dat de projectontwikkelaar (in plaats van de gemeente) als bevoegd aanlegger moest worden beschouwd. Als de rechtbank op basis van de door de gemeente aangevoerde feiten15 had geconcludeerd dat de projectontwikkelaar als bevoegd aanlegger kon worden aangemerkt, dan zou (gelet op de gevolgde redenering van de rechtbank) het beroep op artikel 5:20, tweede lid BW wél een kans van slagen hebben gehad. Vervolgens had de rechtbank moeten concluderen dat de 'bevoegde aanleg' echter toch niet tot beantwoording van de eigendomsvraag zou kunnen leiden, omdat in deze casus sprake is van een onzelfstandig deelnet dat door het hoofdnet wordt nagetrokken. Met andere woorden de rechtbank had in deze zaak niet aan de toetsing van het bevoegd aanleggerschap kunnen toekomen, omdat het eerst de (voor)vraag had moeten beantwoorden of het net een zelfstandige onroerende zaak is. Indien het net géén zelfstandige onroerende zaak is, zal toetsing aan artikel 5:20, tweede lid BW achterwege kunnen blijven.