Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/8.3.3.1
8.3.3.1 De norm waaraan de onafhankelijkheid moet worden getoetst
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702025:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 25 september 1995, ECLI:NL:RVS:1995:AS5736. Hier is ook nog van belang de uitspraak ABRvS 15 januari 1996, ECLI:NL:RVS:1996:AS5701. In die zaak bestond de adviescommissie uit fractievoorzitters van de gemeenteraad. Ook deze adviesrelatie kon volgens de Afdeling – geheel terecht – niet door de beugel. Anders dan de Afdeling meen ik echter dat met name de (schijn van) partijdigheid hier een probleem was. Strikt genomen – en volgens de classificering in dit proefschrift (§ 5.5.3.) – zijn gemeenteraadsleden, als volksvertegenwoordigers, immers geen ondergeschikten van de gemeente of de gemeenteraad.
Zie ook: B.P.M. van Ravels, ‘Deskundigenadvisering bij nadeelcompensatie en tegemoetkoming in planschade’, O&A 2015/88, p. 167.
A.R. Neerhof, annotatie bij ABRvS 16 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM7755, AB 2011/30.
B.J. van Ettekoven, ‘De deskundige deskundige: over registers en de disclosure statement’, O&A 2016/53, p. 87; Raad voor de rechtspraak, Jaarverslag 2008, p. 92.
P.C.E. van Wijmen, annotatie bij ABRvS 5 maart 1996, ECLI:NL:RVS:1996:AN5056). Zie ook: ABRvS 5 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:357 (Lansingerland). De CRvB merkte de SAOZ zelfs aan als rijksdienst (CRvB 28 september 1989, ECLI:NL:CRVB:1989:AN0677).
K.J. de Graaf en A.T. Marseille, ‘Over onafhankelijk en deskundig voorbereide overheidsbesluiten’, in: H.B. Krans e.a. (red.), De deskundige in het recht, Paris: Zutphen, 2011, p. 26.
Zoals in § 5.4 beschreven, bevat de relevante nadeelcompensatieregeling de norm waaraan de onafhankelijkheid van de deskundige moet worden getoetst. Als gezegd, houdt die norm in dat de ingeschakelde deskundige geen deel mag uitmaken van of werkzaam mag zijn onder de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan wordt geadviseerd. Op een flagrante misser midden jaren negentig na – waar de adviescommissie een ondergeschikte commissie van de gemeenteraad was1 – komt het in de praktijk nooit voor dat bestuursorganen hiërarchisch ondergeschikten als planschade- of nadeelcompensatieadviseur benoemen. Zo beschouwd, is de onafhankelijkheidsnorm dan ook een norm waaraan eenvoudig wordt voldaan.
In de praktijk ervaren appellanten deze invulling van de onafhankelijkheid echter als (te) restrictief. Zij betogen dat het enkele feit dat een deskundige hiërarchisch niet ondergeschikt is, nog niet wil zeggen dat deze deskundige ook feitelijk, daadwerkelijk onafhankelijk is.2 Bestuursorgaan en adviseur werken dikwijls samen onder vaste samenwerkingsverbanden. Daarin zijn clausules opgenomen over bijvoorbeeld tarieven en de hoeveelheid af te nemen advies-uren.3 Ook ‘no cure no pay’-clausules komen voor.4 Er zijn adviseurs die alleen overheidsorganen bijstaan of zelfs statutaire banden hebben met de overheid.5 De Graaf en Marseille verwoorden het netelige gevoel bij appellanten treffend:
“Kan (…) een werknemer van een organisatie die met grote regelmaat door het bestuursorgaan ter ondersteuning van allerlei verschillende besluitvormingsprocessen wordt ingeschakeld als ‘onafhankelijk deskundige’ gelden, zonder dat de betrokken werknemers formeel ondergeschikt zijn aan het opdracht verlenende bestuursorgaan?”6
De vraag is of de Afdeling bestuursrechtspraak ook vindt dat de onafhankelijkheid van de nadeelcompensatiedeskundige meer omvat dan de formele onafhankelijkheid alleen.