Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.E.1
1. Verdeling tussen samenwoners: art. 15, lid 1, onderdeel g, WBR
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS478617:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Aldus J.C. van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, onderdeel 7.10. Zie tevens B.M.E.M. Schols, ‘Verdeel en beheers de schenk-, erf- en overdrachtsbelasting’, p. 93.
Met Schols ben ik van mening dat, in het kielzog van de harmonisatiegolf van het fiscale partnerbegrip, vervanging van de term ‘samenwoners’ door het fiscale partnerbegrip ex art. 5a AWR jo. art. la SW 1956 gewenst is. Zie B.M.E.M. Schols, ‘Verdeel en beheers de schenk-, erf- en overdrachtsbelasting’, p. 93.
HR 7 mei 1997, ECLI:NL::HR:1997:AA3252, V-N 1997, p. 2189, Notamail 1997/122. Zie tevens M.J. van Veen-Roos, ‘Gezamenlijke verkrijging bij ruilverkaveling’.
Bij de Wetten van 25 oktober 1989 (Stb. 1989, 491 ) en 18 december 1995 (Stb. 1995, 659).
Waar hebben we dit eerder gezien? Vide grenspost 1, hfdst. I, onderdeel G.6.j.
Kamerstukken II 1994/1995, 24172, nr. 4, p. 19. Zie tevens B.F. Preller, ‘Toepassing van artikel 15.1.q WBR’, in: FBN 1997/16 die naar aanleiding van de inperking ingaat op de mogelijkheden om te verdelen agrarische registergoederen na de inperking van onderdeel g onder de vrijstelling van onderdeel q te kunnen brengen. Conclusie is dat dit mogelijk is, mits een verklaring inzake verbetering van de landbouwstructuur voorhanden is en is voldaan aan de overige vereisten van deze vrijstelling. Zie nader onderdeel C.1 van dit hoofdstuk.
Kamerstukken II 1994/1995, 24172, nr. 6. Zie tevens V-N 1995, p. 3106, punt 20.
Kamerstukken II 1994/1995, 24172, nr. 16. Zie tevens V-N 1995, p. 3372, punt 6.
Ontleend aan: Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 1.2.1 (Lid 1 onderdeel g) Historisch overzicht bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15. Zie tevens B. M.E.M. Schols, ‘Verdeel en beheers de schenk-, erf- en overdrachtsbelasting’, p. 93-94.
Besluit 21 juni 2013, nr. BLKB/2013/642M, Notamail 2013/174.
Zie in dit kader tevens V-N 2013/37.18, alwaar opgemerkt wordt dat de goedkeuring enkel ziet op de situatie waarin de herverkaveling plaatsvindt na beëindiging van het samenlevingsverband. Indien de litigieuze verkrijging krachtens herverkaveling zou plaatsvinden tijdens de samenwoning, zou de originaire verkrijging uit hoofde van de herverkaveling nog steeds als een gezamenlijke verkrijging door samenwoners kunnen worden betiteld en zou dat geen beletsel vormen voor toepassing van die vrijstelling. Dat deze conclusie niet getrokken kan worden t.a.v. de in onderdeel B.3.b van het vorige hoofdstuk behandelde goedkeuring d.d. 14 december 2011, komt doordat de wettekst van art. 3, lid 1, onderdeel b, WBR een wezenlijk andere inhoud heeft dan de tekst van de vrijstelling van onderdeel g, waardoor de herverkaveling in alle gevallen fatale gevolgen heeft voor de status ‘uitgezonderde verkrijging’.
Zie onderdeel 2.4 van het besluit.
Zie tevens B.F. Preller, ‘Goedkeuringsbeleid kan nadeel overdrachtsbelasting door originaire eigendomsverkrijging opheffen’, p. 9.
F.A.M. Schoenmaker, ‘Besluit vrijstellingen overdrachtsbelasting aangepast”.
Aldus Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 2.4 (Lid 1 onderdeel g) Tijdstip van de verkrijging bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15. In dezelfde zin: B.F. Preller, ‘Besluit inzake vrijstellingen van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, lid 1, onderdelen g, i, 1 en p WBR’.
Zie B.F. Preller, ‘Besluit inzake vrijstellingen van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, lid 1, onderdelen g, i, 1 en p WBR’.
Deze vrijstelling is, in het kader van een vergelijking van de ‘kavelruil-vrijstelling’ met overige agro-fiscale vrijstellingen, op het eerste gezicht een vreemde eend in de bijt. De tekst van deze op 1 januari 1996 aangepaste vrijstelling luidt als volgt:
”1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden is van de belasting vrijgesteld de verkrijging: (…) g. krachtens verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners, voor zover de gemeenschap waarin de ene is gerechtigd voor ten minste 40 percent en de andere voor ten hoogste 60 percent, is ontstaan door een gezamenlijke verkrijging en de toedeling geschiedt aan een van de verkrijgers of iemand die als rechtverkrijgende onder algemene titel van een verkrijger in het toegedeelde goed was gerechtigd;”
De vrijstelling heeft niet alleen betrekking op de gemeenschappelijke woning, maar ook op alle onroerende zaken, alsmede beperkte rechten daarop, die de samenwoners gezamenlijk bezitten, 1
“Samenwoners’, 2 ‘verdeling van een gemeenschap’, ‘percentages’: waar is de ‘link’ met de landinrichting in het algemeen en de kavelruil in het bijzonder?
Een eerste aanwijzing van een mogelijk verband tussen onderdeel g en landinrichting kan worden aangetroffen in het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 1997, 3 besproken in onderdeel B, 3.b van het vorige hoofdstuk in het kader van de titelzuiverende werking van de akte van ruil- respectievelijk herverkaveling. In dit arrest werkte de titelzuivering, fiscaal bezien, ten gunste van de verkrijger, omdat door een tussentijdse ruilverkaveling de vrijstelling van onderdeel g van toepassing werd. Daarbij moet worden aangetekend dat de vrijstelling van onderdeel g in 1994, het jaar waarin de berechte casus speelde, op onderdelen anders was vormgegeven dan thans het geval is. De vrijstelling is, sinds de introductie bij de totstandkoming van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, diverse malen gewijzigd.4 Een van de data van wijziging was 29 december 1995. Aanvankelijk zou, volgens de plannen van de staatssecretaris, de vrijstelling afgeschaft worden, aangezien er dikwijls sprake was van oneigenlijk gebruik van de vrijstelling, 5 maar uiteindelijk werd gekozen voor een forse inperking van de vrijstelling, nadat door de Tweede Kamer was aangegeven dat de voorgenomen afschaffing van de vrijstelling niet zou worden ondersteund.6 Bij Nota van Wijziging is de vrijstelling teruggekeerd, zij het dat deze nu beperkt werd tot onroerende zaken en rechten daarop die gezamenlijk waren verkregen door samenwoners die bij die verkrijging ieder een 50%-aandeel in de onroerende zaak hadden verkregen, 7 Bij de derde Nota van Wijziging8 is de uiteindelijke versie tot stand gebracht. De 50-50- verhouding is daarbij vervangen door een verhouding met een (kleine) bandbreedte (ten minste 40%, ten hoogste 60%), 9
Een volgende, sterkere aanwijzing, die de relatie tussen de ‘samenwonersvrijstelling’ en de herverkaveling, maar ook de kavelruil definitief bezegelt, is het in onderdeel C.5 van het vorige hoofdstuk uitgebreid besproken besluit van 21 juni 2013.10 Voor de situatie dat een nog te verdelen onroerende zaak na de beëindiging van een samenwoning11 in een herverkaveling wordt betrokken, bevat het besluit een (nieuwe) goedkeuring. De na de herverkaveling verkregen onroerende zaak kan immers door de titelzuiverende werking van de herverkavelingsakte niet (langer) worden aangemerkt als een tijdens de samenwoning gezamenlijk verkregen onroerende zaak. Hierdoor kan geen beroep worden gedaan op de vrijstelling van onderdeel g. Goedgekeurd is daarom dat toch een beroep deze vrijstelling kan worden gedaan.12 Vereist is wel dat sprake is van een herverkaveling als bedoeld in hoofdstuk 8, titel 3 van de WILG. Verder moet de toewijzing krachtens herverkaveling plaatsvinden binnen vijf jaar na de beëindiging van de samenwoning. Voor de kritiek op de vijfjaarstermijn verwijs ik naar het in het vorige hoofdstuk, onderdeel B.3.b ten aanzien van het besluit van 14 december 2011 opgemerkte.13
Voor het verband met de kavelruil zij verwezen naar de bespreking van het besluit door Schoenmaker, die het navolgende opmerkt:
“Waarom geldt niet een soortgelijke goedkeuring voor een ruilverkaveling bij overeenkomst als bedoeld in hoofdstuk 9 Wilg? Het lijkt erop dat de staatssecretaris met de onderhavige goedkeuring de ‘hobbel’ wil wegnemen die mogelijk wordt veroorzaakt door de titelzuiverende werking van de herverkaveling. Nu deze ‘hobbel’ zich niet voordoet bij een ruilverkaveling bij overeenkomst, zou het – althans naar mijn mening – in de rede liggen om bij een latere verdeling tussen voormalige samenwoners ook dan geen overdrachtsbelasting te heffen ook al is de ‘nieuwe’ onroerende zaak na het einde van de samenwoning door hen verkregen, (onderstreping door mij, JR)”14
De goedkeuring geldt, zoals Schoenmaker schrijft, niet voor de kavelruil. Een (latere) verdeling tussen voormalige samenwoners van een via een kavelruil door hen verkregen onroerende zaak, valt, indien de kavelruil is voltooid ná het einde van de samenwoning, niet onder de vrijstelling van onderdeel g. Dit heeft niets te maken met de afwezigheid van titelzuivering bij kavelruil, maar alles met de inhoud en opzet van onderdeel g: de vrijstelling geldt enkel indien de gezamenlijke verkrijging heeft plaatsgevonden tijdens de samenwoning van de partners.15 De fiscale bijl valt derhalve indien de verkrijging plaatsvindt ná beëindiging van de samenwoning. Met Preller ben ik van mening dat dit element, voor de duidelijkheid, dient te worden toegevoegd aan de wettekst van onderdeel g.16 Uiteraard is de verkrijging uit de kavelruil zelf vrijgesteld op basis van onderdeel 1, maar dat baat de ex-samenwoners niet ten aanzien van de latere (opvolgende) verdeling, die, wanneer deze verdeling volgens de maatstaven van onderdeel g ‘te laat’ plaatsvindt, als gezegd gewoon belast is met overdrachtsbelasting.
Het standpunt van Schoenmaker, dat de mogelijke vertragende werking van een tussentijdse kavelruil onredelijk zou kunnen uitwerken voor de vrijstelling van onderdeel g, waardoor een uitbreiding van de goedkeuring tot verkrijgingen krachtens kavelruil in de rede ligt, deel ik. Uiteraard is de tijdsspanne waarbinnen een kavelruil zich zal afspelen doorgaans aanmerkelijk korter dan wanneer het een herverkaveling betreft, maar niettemin kan, vooral wanneer er veel partijen bij de kavelruil betrokken zijn, de uitvoering van het project zorgen voor vertraging in de verkrijging, waardoor de (opvolgende) verdeling tussen de dan ex-samenwoners buiten het bereik van de vrijstelling van onderdeel g valt.
De fiscaal-nadelige gevolgen van de vertraging in de uitvoering behoren in mijn opinie, ook wanneer het een vrijwillig instrument als de kavelruil betreft en niet een ‘van bovenaf opgelegde’ herverkaveling, niet een aanleiding te zijn voor ‘aanstaande ex- samenwoners’ om af te zien van deelname aan een kavelruilproject. Vanuit het (maatschappelijk) draagvlak voor kavelruil bezien is het wegnemen van (mogelijke) fiscale barrières noodzakelijk. De uitbreiding van de goedkeuring op gemelde wijze past mijns inziens volledig binnen dit uitgangspunt