Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.E.2
2. De ‘oude’ vrijstelling voor ruiling: art. 15, lid 1, onderdeel s (oud), WBR
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS479862:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 15 december 1995, Stb. 634 (wetsontwerp 24423 inzake lastenverlichting voor het midden- en kleinbedrijf). Zie M.J.P.C. Steinbusch, “Vrijstelling hervestiging landbouwbedrijven’, p. 6, alsmede J.A.M. Winkert-Cino, “Verplaatsing en ruil van agrarische grond vrij van overdrachtsbelasting’. Zie tevens D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 23.
Zie tevens grenspost 2, hfdst. n, onderdeel A2. JAM. Klinkert-Cino, ‘Verplaatsing en ruil van agrarische grond vrij van overdrachtsbelasting’ wijst er in dit kader op dat de 1 %-faciliteit reeds veel van haar belang verloren had met de inwerkingtreding van de vrijstelling van onderdeel q (oud), zoals hiervoor in onderdeel Cl beschreven. Overigens bestond in de voorganger van de WBR, de Registratiewet 1917, in artikel 28 reeds een bijzonder tarief voor ruiling van onroerende zaken. Zie over de faciliteit en de grenzen daarvan M. Drukker, ‘Het verschil tussen de akte tot ruiling en de akte van ruiling’.
Aldus Kamerstukken II 1969/1970, 10560, nr. 3, p. 17. Zie tevens de hierna te behandelen uitspraak van Hof Den Bosch d.d. 1 november 1995, ECLI:NL:GHSHE:1995:BM4524.
Kamerstukken II 1969/1970, nr. 10560, nr.3, p. 17.
Bij wet van 30 november 2006, Stb. 2006, 631 is de vrijstelling rrü.v. 1 januari 2007 komen te vervallen.
Zie onderdeel D van dit hoofdstuk, waarin het nieuwe onderdeel s, zoals per 1 januari 2007 in de wet opgenomen, uitgebreid is behandeld.
Aldus D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 23. Zie tevens Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 2 (Lid 1 onderdeel s) Ruiling (tijdvak 1) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15.
Dezelfde eis gold in het per 1 januari 1996 vervallen art 14, lid 2, WBR, aldus J.A.M. Klinkert-Cino, “Verplaatsing en ruil van agrarische grond vrij van overdrachtsbelasting’.
Zie onderdeel C.l.b van dit hoofdstuk,
Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 3 Artikel 14, tweede en derde lid (vervallen) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15 spreekt in dit kader over ‘onbehuisd land’.
Aldus J.A.M. Klinkert-Cino, Verplaatsing en ruil van agrarische grond vrij van overdrachtsbelasting’.
Wet van 18 december 1997, Stb. 1997, 731. Zie tevensFiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer , aant. 1.2.1 (Lid 1 onderdeel s) Ruiling (tijdvak 1) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15.
Zie tevens onderdeel C.l.b hiervoor.
HR 25 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2204, besproken in onderdeel C.l.b hiervoor. Zie tevens Y.E. Gassler, M.L.M. van Kempen, Cursus Belastingrecht, studenteneditie, Editie 2012-2013, § 2.3.27, alsmede S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998(1)’, p. 128.
Aldus S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 (1 )’, p. 128. De auteur merkt op dat ondanks deze definitie op praktisch iedere transactie waarbij van beide kanten enig land wordt afgestaan, de vrijstelling pleegde te worden verleend.
Zie nader grenspost 1, hfdst. II, onderdeel C.3. Zie tevens Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 5 (Lid 1 onderdeel s) Ruiling (tijdvak 1 ) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15. Overigens is het civielrechtelijke ruilbegrip ook na de afschaffing van de ruilingsvrijstelling per 1 januari 2007 nog steeds van belang binnen de contouren van de WBR en wel in het kader van art. 9 WBR, zie Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, Aantekening 2.24.1 Ruiling van onroerende zaken bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, Artikel 9.
Zo is bij PW 8630 als ruiling beschouwd de overeenkomst waarbij A aan B afstond een huis ter waarde van ƒ 3000 waartegen B aan A afstond een perceel grond, waarde ƒ 300, en zich verplichtte daarop voor A een huis te bouwen voor een waarde van ƒ 2700. En bij PW 10097 is als ruiling aangemerkt een overeenkomst waarbij iemand een perceel weiland afstond en daarvoor terugontving een paar hoekjes grond ter waarde van ƒ 200 en een bedrag in contanten van ruim ƒ 6000, zo is te lezen in: Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 5 (Lid 1 onderdeel s) Ruiling (tijdvak 1) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15.
In dezelfde zin D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 24. Zie tevens grenspost 1, hfdst. II, onderdeel Cj.c. Zie voor een geval waarin niet voldaan is aan het begrip ruil de uitspraak van het Hof Den Haag d.d. 21 december 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0629, NTFR 2012/426.
Zie Asser-Mijnssen, De Haan & Van Dam, 3-1 Algemeen goederenrecht nr. 9, alsmede W.G. Huijgen, Koop en verkoop van onroerende zaken, p. 91. D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 24 stelt, in navolging van Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 5 (Lid 1 onderdeel s) Ruiling (tijdvak 1) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15, dat in een dergelijk geval de ‘ruil’ Verandert (…) in een koopovereenkomst waarbij de prijs voor een bijkomstig deel uit iets anders dan geld bestaat.’ Voor de vraag of deze constatering geheel juist is verwijs ik naar grenspost 1, hfdst. 11, onderdeel G3.c, waar de verschillen tussen koop en ruil nader zijn besproken.
Aldus Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 6 (Lid 1 onderdeel s) Ruiling (tijdvak 1 ) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15.
Aldus D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 31.
Vgl. de onderdelen A.2 t/m A.4, alsmede Gl.c van dit hoofdstuk. Zie voor enkele rekenvoorbeelden, waarin de werking van de maximering wordt verduidelijkt, Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 9 (Lid 1 onderdeel s) Ruiling (tijdvak 1 ) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15.
Aldus J.A.M. Klinkert-Cino, ‘Verplaatsing en ruil van agrarische grond vrij van overdrachtsbelasting’.
Van een samenloop met artikel 15, lid 1 onderdeel q (oud) kon overigens alleen sprake zijn als ook aan de andere voorwaarden uit dit artikel was voldaan.
J.K. Moltmaker, Belastingen van rechtsverkeer, Deventer: Kluwer 2001, par. 23.2.6.
Vgl. grenspost 1, hfdst. I, onderdelen C.3 en F.l, alsmede grenspost 2, hfdst. II, onderdeel A.2.
Hof Den Bosch 1 november 1995, ECLI:NL:GHSHE:1995:BM4524. Zie tevens nt 382 hiervoor.
r.o. 4.2.
Zie grenspost 1, hfdst ïï, onderdeel C.3.
Zie onderdeel C van het vorige hoofdstuk, alsmede grenspost 1, hfdst. I, onderdelen G.6.j.2, 5, 6, 8 t/m 12.
Zie grenspost 1, hfdst. II, onderdeel F.4.
Zie nader grenspost 3.D van dit onderzoek.
Art 1, lid 1, onderdeel g WILG. Zie tevens grenspost 1, hfdst. II, onderdeel E.l.g.
S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 (1)’, p. 130.
Aldus J.A.M. Klinkert-Cino, ‘Verplaatsing en ruil van agrarische grond vrij van overdrachtsbelasting’.
De vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel s is, tezamen met de vrijstelling van onderdeel t (hiervoor in onderdeel A.2 behandeld), per 1 januari 19961 in de WBR opgenomen ter vervanging van het tot die datum geldende artikel 14, lid 2, dat voor ruiling van landerijen een tot 1% verminderd tarief kende.2 De inhoud van het oude artikel 14, lid 2, een regeling die al bestond sinds 1882 en diende als middel om de versnippering van landbouwgronden tegen te gaan, 3 is per 1 januari 1996 nagenoeg ongewijzigd overgenomen in onderdeel s van artikel 15, lid 1. In het wetsontwerp van de WBR is over het oude artikel 14, lid 2 het navolgende opgemerkt:
“wanneer er bij de ruiling van landerijen landbouwbelangen zijn betrokken […] er reden is voor een regeling waardoor de overdrachtsbelasting geen rem betekent voor een partiële herstructurering”.4
Deze gedachte lag ook ten grondslag aan de opvolger van artikel 14, lid 2, de vrijstelling van onderdeel s, zoals deze tot 1 januari 20 075 heeft gegolden:6 de grondmobiliteit binnen de landbouw diende ook in fiscalibus te worden gestimuleerd. In plaats van een tarieffaciliteit, zoals in het oude artikel 14, is in onderdeel s, om wetssystematische redenen en om het geringe budgettaire belang, 7 gekozen voor een vrijstelling. Het commentaar, de jurisprudentie en de literatuur betreffende de oude regeling waren vanwege de vele overeenkomsten tussen beide regelingen, mutatis mutandis, op de nieuwe vrijstelling van toepassing. Volgens de wettekst diende voor de toepassing van de vrijstelling van onderdeel s te zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:
er moest sprake zijn van landerijen;
de landerijen moesten worden geruild;
de te ruilen landerijen moesten in dezelfde gemeente of in aangrenzende gemeenten zijn gelegen;
de vrijstelling was ten hoogste gelijk aan de waarde van de door de verkrijger afgestane landerijen.
De vrijstelling gold ook voor de verkrijging van rechten van erfpacht of beklemming op landerijen. Ook bij ruiling van blote eigendom was de vrijstelling van toepassing.8
Onder het begrip ‘landerijen’ dienden, net als onder het regime van artikel 14, lid 2 en de ‘oude’ cultuurgrondvrijstelling, 9 het geval was, te worden verstaan: gronden welke bestemd zijn voor agrarische doeleinden, zoals landbouw, tuinbouw, veeteelt en bosbouw.10 Aanhorigheden als wegen, sloten, wallen en dergelijke vielen eveneens onder dit begrip.11 Bij wet van 18 december 199712 is na het woord ‘landerijen’ de zinsnede ‘en van de als kweek- of teeltmiddel gebmikte ondergrond van glasopstanden’ ingevoegd.13 Het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 1997 maakte deze aanvulling noodzakelijk.14
Ruil werd in het kader van onderdeel s gedefinieerd als de overeenkomst waarbij partijen zich verbinden om aan elkaar wederkerig een goed in de plaats van een ander te geven, eventueel met een toegift in geld.15 De wederkerigheidseis uit het civielrechtelijke ruilbegrip ex artikel 1577 oud BW, respectievelijk artikel 7:49 BW deed derhalve ook in fiscalibus opgeld.16 Het werken met toegiften stond aan de toepassing van de vrijstelling niet in de weg, ook wanneer de toegift in verhouding tot de totale prestatie aanzienlijk was, zo bleek uit de rechtspraak.17 Het begrip ‘ruil’ werd derhalve vrij ruim opgevat.18 Strikt genomen is, vooral indien de toegift een groot bestanddeel van de totale prestatie vormt, er immers sprake van een mengvorm tussen koop en ruil, 19 Wanneer het ten aanzien van deze vrijstelling gehanteerde ruilbegrip wordt gecombineerd met de hiervoor besproken inhoud van het begrip ‘landerijen’ zal duidelijk zijn dat de vrijstelling (slechts) zag op ‘land voor land’-ruilingen. Eventuele in de ruiling betrokken opstallen konden derhalve niet ‘meeliften’ op de vrijstelling.
De vrijstelling bepaalde voorts dat de verkrijging van landerijen krachtens ruiling in dezelfde gemeente of een aangrenzende gemeente was vrijgesteld van overdrachtsbelasting, voor zover de belasting verschuldigd was over een bedrag gelijk aan de waarde van de door de verkrijger afgestane landerijen. De territoriale ‘begrenzing’ zag in dit verband op de burgerlijke gemeenten en niet op de kadastrale gemeenten.20 De term ‘aangrenzend’ roept herinneringen op aan de hiervoor in onderdeel C.l.d besproken naburigheidseis uit onderdeel q (oud). Er was dan ook sprake van een grote mate van overlap tussen beide vrijstellingen.21
Voor zover de waarde van de afgestane landerijen lager was dan de waarde van de verkregen landerijen, was over het verschil het normale tarief van 6% verschuldigd. Deze wijze van maximering van de vrijstelling moge inmiddels bekend: ook bij de vrijstellingen van onderdelen q (oud), t, v en w werd deze aangetroffen.22 Overigens was deze maximering niet aanwezig bij de tot 1 januari 2007 geldende cultuurgrond- vrijstelling van onderdeel q (oud). Advies aan de praktijk was derhalve om in voorkomende gevallen te beoordelen of men, ter verkrijging van een grotere vrijstelling van overdrachtsbelasting, in plaats van gebruik te maken van de vrijstelling van onderdeel s, niet beter de vrijstelling van onderdeel q kon inzetten, uiteraard mits voldaan kon worden aan de overige voorwaarden van onderdeel q.23
De vrijstellingen van de onderdelen q (oud) en s (oud) konden elkaar overlappen. Het was niet zeker of een in het kader van een ruil (op grond van onderdeel s) afgestaan perceel nog langer als ‘naburig’ (in de zin van onderdeel q) zou kunnen blijven gelden ten opzichte van het verkregen land.24 Moltmaker stond in verband met deze onzekerheid een praktische oplossing voor: eerst diende te worden bepaald in hoeverre het land was verkregen op grond van onderdeel q en vervolgens diende te worden beoordeeld in hoeverre het overige land nog kon delen in de vrijstelling van onderdeel s.25
aan beide vrijstellingen ligt, in de basis althans, dezelfde, eeuwenoude, gedachte ten grondslag: ruilingen ter verbetering van de agrarische structuur dienen zo min mogelijk hinder te ondervinden van de fiscale regelgeving. Enkel door een fiscaal- vriendelijke behandeling van dergelijke ruilingen, ongeacht of deze de civielrechtelijke ruil of een kavelruil betreffen, kan de versnippering van (landbouw)gronden effectief worden tegengegaan.26 Dit uitgangspunt blijkt onder meer uit een uitspraak van het Hof Den Bosch van 1 november 1995.27 Het Hof overweegt als volgt:
Wanneer deze (oude) ‘ruilingsvrijstelling’ van onderdeel s wordt vergeleken met de ‘kavelruilvrijstelling’ van onderdeel 1, vallen de navolgende zaken op:
“(…) uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de in art. 14, tweede lid, WBR neergelegde bepaling in het leven is geroepen met het oog op de bij de ruilingen betrokken algemene landbouwbelangen, hierin bestaande dat de opheffing van de versnippering van landbouwgronden diende te worden bevorderd, (onderstreping door mij, JR)”28
Hoewel de uitspraak betrekking had op artikel 14, lid 2 (oud), WBR, gelden de bewoordingen van het Hof evengoed voor de vrijstelling van onderdeel s, welke vrijstelling immers als opvolger van de regeling uit artikel 14, lid 2 is aan te merken. Vertaald naar de kavelruil is toetsing aan het doel van de regeling een belangrijk onderdeel van het (civiele en fiscale) traject: zeker tijdens het tijdperk waarin de objectieve verbeteringseis voor de kavelruil zijn volle glorie bezat, diende iedere transactie binnen de kavelruil te allen tijde te voldoen aan de doelstellingen van de Landinrichtingswet in het algemeen en het instrument kavelruil in het bijzonder, waarbij opvalt dat deze doelstelling aanmerkelijk ruimer is geformuleerd dan de hierboven geciteerde doelstelling van de ruilingsvrijstelling van onderdeel s;
de ruilingsvrijstelling gaat uit van het civielrechtelijke ruilbegrip, terwijl de vrijstelling van onderdeel 1 (uiteraard) de kavelruil ex artikel 85-88 WILG als vertrekpunt heeft. Dit verschil is verklaarbaar, gezien het feit dat de kavelruil een ‘eigen’ vrijstelling heeft, waardoor het ‘openstellen’ van onderdeel s voor de kavelruil, door middel van het hanteren van een ander (ruimer) ruilbegrip niet nodig is. Voorts is het civielrechtelijke ruilbegrip beperkter dan het begrip ‘kavelruil’, (onder meer) gezien de vereiste rechtstreekse wederkerigheid.29 Dit betekent echter niet dat een (verzameling van) civielrechtelijke ruiling(en) geen deel kan uitmaken van een kavelruil: ‘7:49-ruilingen’ kunnen wel degelijk als ingrediënt worden opgenomen in het gerecht kavelruil. De deur naar de ongeclausuleerde vrijstelling van onderdeel 1 stond derhalve voor ‘s-ruilingen’ open, mits deze ruilingen konden worden ‘opgetuigd’ tot een kavelruil;
het fiscaal neutraal ruilen van opstallen kon en kan enkel langs de weg van onderdeel 1 en dus door middel van een kavelruil bereikt worden, uiteraard mits de stand van de fiscale rechtsontwikkeling dit toeliet. Via de ‘gewone’ civielrechtelijke ruiling en de daarbij behorende vrijstelling van onderdeel s was het onbelast verkrijgen van opstallen nimmer mogelijk. De kavelruil (mits in een gegeven situatie mogelijk) was dan de enig aangewezen weg. In concreto betekent dit dat tot 12 november 2004 het oordeel van de DLG omtrent de goedkeuring bepalend was voor de fiscale status van opstallen. Verkrijging van opstallen en overdracht casu quo verplaatsing van gehele bedrijven plachten daarbij niet te worden goedgekeurd, hetgeen een uitstralend effect had op de fiscale vrijstelling, die alsdan eveneens niet verleend werd. Vanaf 12 november 2004 werden opstallen categorisch uitgesloten van de fiscale faciliteiten, waarna per 1 januari 2007 de opstallen (weer) kunnen worden geschaard onder de vrijstelling;30
de werking van de vrijstelling van onderdeel s is in geografische zin beperkt: enkel ruilingen van gronden gelegen binnen dezelfde of een aangrenzende gemeente kwalificeren. De kavelruil is, in fiscalibus althans, ‘territoriaal-neutraai’, zeker sinds de komst van de WILG en het vervallen van de objectieve verbeteringseis. Opvallend is dat de provinciale subsidieregelingen, zoals deze per 1 januari 2007 bestaan, wel een territoriale begrenzing voor de toepassingsmogelijkheden van de kavelruil met zich brengen, echter niet op fiscaal, maar op financieel gebied. Dat ik met deze ontwikkeling niet geheel gelukkig ben, moge duidelijk zijn.31 De kavelruil is mijns inziens niet gebaat bij enige geografische begrenzing.32 Binnen de herverkaveling (en dus niet binnen de kavelruil) is overigens het begrip ‘blok’33 relevant, hetgeen een territoriale beperking van de werkingssfeer met zich meebrengt: de ‘blokgrenzen’ vormen tevens de fiscale grenzen.
Van Heijst merkt in het kader van de relatie tussen artikel 15, lid 1, onderdeel s, WBR en de kavelruil voorts nog het volgende op:
“Denkbaar is dat door het gebruik van de vrijstelling van onderdeel s het instrument van de vrijwillige kavelruil minder snel van stal gehaald zal worden.”34
Ik kan deze opmerking niet geheel plaatsen, omdat men onder het destijds geldende Liw-regime, bij een (goedgekeurde) kavelruil, naast de vrijstelling van overdrachtsbelasting, ook nog eens 100% van de notaris- en kadasterkosten vergoed kreeg. Bovendien gold de vrijstelling van onderdeel 1, mits de ‘objectieve verbeteringshorde’ succesvol genomen was, ook voor opstallen, in ieder geval zeker tot 12 november 2004. Men zal gezien deze voorwaarden, wanneer het mogelijk is, dus vrijwel altijd voor een kavelruil hebben gekozen. De vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel s speelde dan alleen nog in die gevallen, waarin er geen goedkeuring kon worden verkregen voor de kavelruil (bijvoorbeeld omdat er slechts twee partijen deelnamen of wanneer vooraf duidelijk was dat er geen sprake zou zijn van objectieve verbetering). Daarnaast was, wanneer de in de ruiling betrokken landerijen voldeden aan (met name) de naburigheidseis, de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel q eveneens van toepassing (gesteld dat ook aan de overige eisen voor deze vrijstelling was voldaan). Artikel 15, lid 1, onderdeel s speelde dus, ook wanneer geen goedkeuring kon worden verkregen voor een kavelruil, alleen een rol in gevallen waarin, ten aanzien van de landerijen, niet voldaan was aan de naburigheidseis. In tegenstelling tot de woorden van Van Heijst ben ik derhalve van mening dat de vrijstelling van onderdeel l ten opzichte van de overige vrijstellingen altijd de status van primus inter pares zal hebben.
Zoals gezegd is ook deze vrijstelling ingetrokken en per 1 januari 2007 en vervangen door de hiervoor in onderdeel D besproken natuurgrondvrijstelling. Door de komst van de nieuwe cultuurgrondvrijstelling had de oude ruilingsvrijstelling reeds veel aan belang ingeboet.35
Niettemin bevatte deze vrijstelling de nodige verbanden richting de kavelruil-vrijstelling van onderdeel l, zodat bespreking van deze verdwenen vrijstelling mijns inziens zeker nuttig is geweest.