Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.2.4.2
7.2.4.2 Rechtvaardigingsgronden
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633739:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Besluit van 29 november 2018, Stcrt 2018, 68659, onderdeel 3.
Zie de bijlage bij Augustus 2020. Het antwoord luidt als volgt: “Zoals al meerdere keren is aangegeven en ook in het besluit van 2014 is toegelicht, betrof het onderdeel giften aan kerkelijke instellingen geen beleid of voorziening, maar ging het slechts om informatie met een voorlichtend karakter met betrekking tot de vraag hoe wordt omgegaan met bedragen die rechtstreeks aan geestelijken ter beschikking worden gesteld voor doeleinden van de kerkelijke instelling. Dit was al onder de Wet inkomstenbelasting 1941 opgenomen in de resolutie van 15 september 1952, nr. 55, V—N 1952, p. 517 en dit is onder de Wet IB 2001 opnieuw uitgebracht. Aangezien het om een voorlichtend karakter gaat en niet om een voorziening, zoals in deze vraag wordt aangenomen, kan deze vraag niet worden beantwoord.”
Een rechtvaardiging voor dit onderscheid geeft de wet- en regelgever niet en bestaat in mijn optiek ook niet.
Het eerste element van mijn toetsingskader omvat de fundamentele beginselen scheiding van kerk en staat, de neutrale staat en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Het laatste beginsel is ook vastgelegd als grondrecht in diverse mensenrechtelijke instrumenten. Die beginselen komen erop neer dat de staat de vrijheid van richting, inrichting en oprichting van rsli’s eerbiedigt en dat de rsli’s geen formele zeggenschap in publieke besluitvorming toekomt. Die bijzondere rechtspositie blijkt des te meer bij een instelling met de rechtsvorm kerkgenootschap, die een speciale civielrechtelijke inrichtingsvrijheid kent. Door die bijzondere rechtspositie van rsli’s in de samenleving zouden handelingen van voorgangers van rsli’s zozeer verweven kunnen zijn met de doeleinden en activiteiten van hun rsli dat er sprake is van een vereenzelviging zodat het voor de hand ligt dat een bijdrage aan een rsli-voorganger voor een doeleinde of activiteit van zijn of haar rsli wordt aangemerkt als een gift aan de betreffende rsli.
Deze vereenzelviging kan minder voor de hand liggen bij natuurlijke personen van andere anbi’s. Toch hoeft dit geen belemmering te zijn. Zoals hierna aan de orde komt, is namelijk in de schenk- en erfbelasting voor verkrijgingen door een natuurlijke persoon wel een voorziening getroffen die openstaat voor zowel rsli’s als overige anbi’s: de staatssecretaris heeft onder voorwaarden goedgekeurd dat bij een verkrijging door een natuurlijke persoon die de verkrijging aanwendt voor een anbi waarmee de verkrijger kan worden vereenzelvigd – op een bij de Belastingdienst in te dienen verzoek – heffing van schenk- of erfbelasting achterwege blijft.1 Zie verder paragraaf 7.5. Ik zie niet in waarom de wet- en regelgever ook niet die lijn heeft gekozen voor de aftrek van giften aan natuurlijke personen in de inkomstenbelasting. Ik heb deze vraag voorgelegd aan de Belastingdienst Vaktechniek Inkomstenbelasting niet-winst algemeen, die aangeeft ‘deze vraag niet te kunnen beantwoorden omdat het in het onderdeel giften aan kerkelijke instellingen in het Giftenbesluit niet ging om beleid of voorziening maar om informatie met voorlichtend karakter’.2
De andere elementen van mijn toetsingskader (de rechtsvormkeuze en het grondrecht op privacy) spelen hier geen rol. Voor de faciliteit (het aanmerken van een bijdrage aan een voorganger van een rsli voor een rsli-doeleinde of -activiteit als een gift aan de betreffende rsli, waardoor de gift aftrekbaar is in de inkomstenbelasting) is de rechtsvorm die de instelling kiest niet beslissend. Het grondrecht op privacy van de betreffende natuurlijke persoon is evenmin relevant voor de toekenning van de faciliteit.
Voor bovengenoemd onderscheid is er op grond van mijn toetsingskader dus geen objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond, voor zover er sprake is van vereenzelviging van een natuurlijke persoon met de desbetreffende anbi.
Tabel 7.1. geeft de toetsing van anbi-faciliteiten inkomstenbelasting schematisch weer.
Tabel 7.1. Toetsing van anbi-faciliteiten inkomstenbelasting
Faciliteiten inkomstenbelasting
Onderscheid
Rechtvaardiging
Aftrek giften aan instellingen.
Nee.
Aftrek giften aan natuurlijke personen.
Ja: giften aan voorgangers rsli’s wel aftrekbaar, bij giften aan natuurlijke personen bij andere anbi’s niet.
Nee, voor zover sprake is van vereenzelviging van een natuurlijke persoon met de desbetreffende anbi.