Verzekering verzekerd?
Einde inhoudsopgave
Verzekering verzekerd? (R&P nr. FR13) 2015/1.8:1.8 Afbakening onderzoek
Verzekering verzekerd? (R&P nr. FR13) 2015/1.8
1.8 Afbakening onderzoek
Documentgegevens:
mr. N. Lavrijssen, datum 15-01-2015
- Datum
15-01-2015
- Auteur
mr. N. Lavrijssen
- JCDI
JCDI:ADS621078:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Verzekeringsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voetnoot 40.
Zie art. 10 lid 1 van de richtlijn.
Stegeman & Graaf 2012, p. 184.
Deze financiële vereisten zijn terug te vinden in het Besluit prudentiële regels Wft, Stb. 2006, 519.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek ziet uitsluitend op de saneringsregelingen die zijn opgenomen in de Wft en het faillissement dat is geregeld in afdeling 11B van de Fw. In eerste instantie heb ik overwogen om een rechtsvergelijkende component aan het onderzoek toe te voegen. Daarbij zou een rechtsvergelijking met Engeland en/of Duitsland het meest voor de hand hebben gelegen. Toch heb ik er uiteindelijk voor gekozen om deze vergelijking niet te maken, vooral omdat de meerwaarde ervan mijns inziens om de volgende redenen beperkt zou zijn geweest en voor mij als buitenpromovendus niet opwoog tegen de tijdsbesteding die het zou kosten. Aan het faillissementsrecht met betrekking tot verzekeraars binnen de Europese Unie ligt de richtlijn betreffende de sanering en liquidatie van verzekeringsondernemingen ten grondslag.1 Deze richtlijn verplicht lidstaten om een rangorderegeling in het leven te roepen op grond waarvan verzekerden zich met voorrang kunnen verhalen op bepaalde (optie A) of alle (optie B) vermogensbestanddelen van de failliete verzekeringsonderneming.2 Omdat met name deze rangorderegeling van belang is voor de gevolgen voor verzekerden, zullen de uitkomsten van de rechtsvergelijking op dit punt niet wezenlijk van elkaar verschillen. Alle lidstaten zullen immers uitvoering hebben moeten geven aan optie A of B. Voor de onteigeningsregeling en overdrachtsregeling geldt dat zowel de Engelse Banking Act 2009 als het Duitse Restrukturierungsgesetz niet van toepassing zijn op verzekeraars, maar enkel op banken. Een rechtsvergelijking op dit punt heeft voor dit onderzoek naar de gevolgen voor verzekerden geen toegevoegde waarde. En de opvangregeling zoals wij die in Nederland kennen is uniek in zijn soort, zodat hiervoor geen vergelijkingsmateriaal beschikbaar is. Bovendien is uit de expertmeeting gebleken dat grote behoefte bestaat aan een vergelijking van de Nederlandse saneringsregelingen onderling en in relatie tot het faillissement, omdat deze vergelijking tot op heden niet is gemaakt. Al deze redenen samen hebben ertoe geleid dat ervoor gekozen is om niet aan rechtsvergelijking te doen.
Dit onderzoek richt zich bovendien uitsluitend op de saneringsregelingen die externe werking hebben. Dat betekent dat zowel het toezicht als controleinstrument als de intern werkende maatregelen van DNB buiten beschouwing worden gelaten. Een voorbeeld van een maatregel met interne werking is de benoeming van een stille curator op grond van art. 1:76 Wft. De organen van de verzekeringsonderneming moeten in dat geval handelen in overeenstemming met de instructies van de stille curator en besluiten worden slechts rechtsgeldig na goedkeuring door de curator,3 maar de buitenwereld merkt daar niets van.
De begrippen eigen vermogen, solvabiliteit, liquiditeit en technische voorzieningen die relevant zijn voor de analyse van de verschillende saneringsregelingen, zal ik in hoofdstuk 2 uitwerken. Deze begrippen hangen op hun beurt weer samen met de vele financiële vereisten die worden gesteld aan een verzekeringsbedrijf, om de continuïteit van een verzekeraar zo veel mogelijk te waarborgen.4 Omdat het hier om een juridisch onderzoek gaat, zal niet specifiek worden ingegaan op deze financiële vereisten.