Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/4.3
4.3 Het rechtskarakter van de beginselen van behoorlijk overgangsbeleid
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS414996:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Lagere wetgeving, zoals gemeentelijke verordeningen, kan wel aan de algemene rechtsbeginselen, zoals het rechtszekerheidsbeginsel, worden getoetst.
Het initiatiefwetsvoorstel van Halsema (nr. 28 331) maakt een beperkte toetsing aan de Gw (o.a. aan art. 1) mogelijk. Dit wetsvoorstel is op 2 december 2008 door de Eerste Kamer aangenomen. Na de Tweede Kamerverkiezingen zal dit wetsvoorstel opnieuw in stemming moeten worden gebracht.
HR 14 april 1989, nr. 13 822, NJ 1989, 469 (m.nt. Scheltema). Dit arrest is bevestigd in HR 14 april 2000, nr. C99/227HR, NJ 2000, 713 (m.nt. Bloembergen).
Zie Gribnau 2002 voor een pleidooi voor toetsing aan het rechtszekerheidsbeginsel.
Ro. 3.9.
Zie hierover o.a. Tridimas 1999, p. 11 e.v. en Kapteyn en Verloren van Themaat 2003, p. 345 e.v.
Zie o.a. HvJ EG 5 februari 1963, nr. 26/62 (Van Gend & Loos), BNB 1964/134 (concl. A-G Roemer) en HvJ EG 9 maart 1978, nr. 106/77 (Simmenthal), ECR 1978, p. 629.
O.a. HvJ EG 2 december 1998 (Belgocodex), nr. C-381/97, BNB 1999/29 (concl. A-G Alber; m.nt. Van Hilten) en HvJ EG 8 juni 2000, nr. C-396/98 (Schloßstraße), V-N 2000/44.21 (concl. A-G Ruiz-Jarabo Colomer).
In par. 4.2.2 heb ik uitgewerkt dat ik van de beginselen van behoorlijke regelgeving beginselen van behoorlijk overgangsbeleid zal afleiden. De vraag rijst wat het rechtskarakter van deze beginselen is.
De beginselen van behoorlijke regelgeving zijn gericht tot de wetgever. De wetgever heeft echter niet in alle gevallen de juridische verplichting om deze beginselen en de daarvan afgeleide beginselen van behoorlijk overgangsbeleid na te leven. Op een enkele uitzondering na kan de naleving van de beginselen van behoorlijke regelgeving bij het ontwerpen van formele wetgeving namelijk niet ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd.1
Art. 120 Gw bevat een verbod op de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen.2 Voorts is toetsing van formele wetten aan overige – niet gecodificeerde beginselen op grond van het Harmonisatiewetarrest niet toegestaan.3 In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat art. 120 Gw zich verzet tegen toetsing van de wet aan fundamentele rechtsbeginselen die niet zijn neergelegd in een ieder verbindende verdragsbepaling, zoals het rechtszekerheidsbeginsel.4 In het Harmonisatiewetarrest geeft de Hoge Raad overigens wel een heel kleine opening voor toetsing aan algemene rechtsbeginselen indien er sprake is van door de wetgever niet-verdisconteerde omstandigheden die zijn terug te voeren op de wijze van optreden door de overheid:5
‘Dit betoog miskent het wezenlijke verschil tussen enerzijds: het in bepaalde (groepen van) gevallen buiten toepassing laten van een wetsbepaling op de grond dat toepassing van die bepaling in verband met daarin niet verdisconteerde omstandigheden (in de regel: de wijze waarop de overheid is opgetreden) in strijd zou komen met een fundamenteel rechtsbeginsel, en anderzijds: het wegens zulk een strijd buiten toepassing laten van een wetsbepaling op grond van omstandigheden welke bij haar tot stand komen in de afweging zijn betrokken, dus in gevallen waarvoor zij nu juist is geschreven. Het eerste raakt niet aan de verbindende kracht van de betrokken bepaling en staat de rechter ingevolge voormelde jurisprudentie vrij; het tweede ontneemt echter aan die bepaling haar verbindende kracht en is de rechter ingevolge art. 120 Gr.w verboden. Hier doet zich de tweede figuur voor. Bij het tot stand brengen van de gewraakte bepalingen van de Harmonisatiewet zijn immers de verwachtingen welke bij de daardoor getroffen studenten waren gewekt door de voorheen geldende regelingen, in de afweging betrokken.’
In zijn noot onder dit arrest geeft Scheltema aan dat deze uitzondering vooral betrekking heeft op door het bestuur gewekt vertrouwen dat niet met een juiste toepassing van de wet in overeenstemming is te brengen.
In art. 94 Gw wordt een uitzondering gemaakt op het in art. 120 Gw opgenomen toetsingsverbod. Op grond van art. 94 Gw vindt een binnen het Koninkrijk geldende bepaling namelijk geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Ingevolge deze uitzondering is het mogelijk om formele wetgeving te toetsen aan het EVRM en het IVBPR. Binnen het bestek van dit onderzoek betekent dit dat kan worden getoetst aan het non-discriminatie-beginsel en het eigendomsrecht (par. 4.4.2.2 en hfdst. 6).
Toetsing aan het rechtszekerheidsbeginsel is mogelijk indien wordt gehandeld binnen de werkingssfeer van het EU-recht. Op grond van art. 220 EG dient het Hof van Justitie EG de eerbiediging van het recht bij uitlegging en toepassing van het EG-Verdrag en het secundaire EU-recht te verzekeren. In dit kader heeft het Hof van Justitie EG zelf vormgegeven aan ongeschreven communautair recht.6 De communautaire rechtsbeginselen hebben rechtstreekse werking in de nationale rechtsordes van de lidstaten en voorrang op daarmee onverenigbare bepalingen van nationale, internationale of EU-rechtelijke oorsprong.7 Bij toepassing van het EU-recht moet de nationale rechter de formele wet derhalve toetsen aan de geschreven beginselen van het EU-recht, zoals het proportionaliteitsbeginsel (art. 5 EG), en de ongeschreven beginselen, waaronder het communautaire rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.8 Dit betekent dat wetgeving die binnen de werkingssfeer van het EG-Verdrag valt door de rechter kan worden getoetst aan het communautaire vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel.