Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/2.5.4.3
2.5.4.3 Aanspraak op liquidatiesaldo
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186825:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Nethe 2013, p. 200 en 206 en De Weijs 2014, p. 108.
Schadee 1923, p. 43-44, Van der Heijden 1936, nr. 161, Van der Heijden/Van der Grinten 1992, nr. 161 en Van der Grinten 1991. Vgl. recenter: De Weijs 2014, p. 108.
Zie de bronnen genoemd in de vorige noot.
Vgl. ook Van der Grinten 1953, p. 123.
Van der Heijden 1936, nr. 161, Van der Grinten/Van der Heijden 1992/161, vgl. ook Van der Grinten/Van der Heijden 1992/131.
NNAV, Kamerstukken II 2008/09, 31058, 6, p. 46, Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/286, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/161, Prinsen 2004, p. 56-57, Wolf 2013, p. 47 en Ten Berg 2007, par. 2.4.1. Vgl. ook artt. 2:79 en 2:190 BW en zie verder Fransis 2017, p. 85 voetnoot 284, wiens beschouwingen naar Belgisch recht op dit punt mutatis mutandis ook opgaan voor het Nederlandse recht.
Zie art. 2:23b lid 1 BW. Vgl. ook Nethe 2013, nr. 41.
Zie Kamerstukken II 198/83, 17725, 3, p. 69. Voor die overdracht behoort het niet tot het vermogen van de ontvanger, zie Kamerstukken II 1982/83, 17725, 3, p. 67 e.v.
Dit sluit aan bij HR 25 maart 1988, NJ 1989/200 (Staal Bankiers/Ambags q.q.) en HR 3 december 2010, NJ 2010/653 (ING/Nederend q.q.). Vgl. ook Van der Velden 2008, p. 259.
Althans, een vordering op het moment dat de schuldeisers worden voldaan.
Zo ook Wessels 2013, p. 12.
61. Naast hun aanspraken op dividenduitkeringen zijn de kapitaalverschaffers gerechtigd tot het liquidatiesaldo. Ook dat is een reden waarom kapitaalverschaffers, in het bijzonder aandeelhouders, soms worden omschreven als (achtergestelde) schuldeisers.1 Hun vordering zou dan het aandeel zelf zijn, of de daaruit voortvloeiende aanspraak op het liquidatiesaldo.
De achterliggende gedachte is dat aandelen een schuld van de vennootschap zijn. Die opvatting kan in het Nederlandse recht worden teruggevoerd op Schadee, Van der Heijden en Van der Grinten. Zij hebben de positie van aandeelhouders beschreven in termen van schuld en schuldeiser.2 Daarbij gebruiken zij de termen schuld en schuldeiser steeds in overdrachtelijke zin, althans niet in de zin van een verbintenis zoals tegenwoordig bedoeld in Boek 6 BW.3 Waar de verhouding als een schuld wordt gekenschetst wordt die schuld zozeer gekwalificeerd dat die ‘schuld’ geen onderdeel uit kan maken van een verbintenis in de zin van Boek 6 BW, of dat daar een vorderingsrecht tegenover kan staan. Uit de werken van Schadee, Van der Heijden en Van der Grinten valt dan ook niet af te leiden dat zij menen dat een aandeelhouder een vorderingsrecht heeft in de zin van Boek 6 BW.4 Dit blijkt onder meer uit de volgende zinnen geformuleerd door Van der Heijden, maar bij vele bewerkingen door Van der Grinten ongemoeid gelaten:
“Al zijn deze aanspraken [aandelen, NP] niet te rangschikken onder de schuldvorderingen in de gewone zin des woords, zij zijn niettemin onmiskenbaar rechten. … Deze schuld is van eigen aard. … Zij is niet gewone schuld der vennootschap, doch schuld uit hoofde van vennootschap, vennootschappelijke schuld.”5
De huidige heersende leer is dan ook dat een aandeel gekwalificeerd moet worden als een vermogensrecht van eigen aard en niet als een vorderingsrecht of een verbintenis in de zin van Boek 6 BW.6 Daarom is een aandeel geen achtergestelde vordering.
62. Ook de aanspraak van een aandeelhouder op uitbetaling van het liquidatieoverschot na vereffening is geen achtergestelde vordering. Een dergelijk vorderingsrecht zou de aandeelhouder tot schuldeiser maken, terwijl het liquidatieoverschot nu juist is wat resteert na voldoening van alle schuldeisers.7 Bovendien is de titel waaronder het liquidatieoverschot overgaat niet de voldoening van een vordering, maar de verplichting tot vereffening die op grond van artikel 2:23b BW op de vereffenaars rust, in combinatie met de bestemming van het liquidatiesaldo in de statuten.8 Voor zover al kan worden gezegd dat de ontvanger van het liquidatiesaldo een vordering heeft tot uitbetaling daarvan, dan nog ontstaat die niet op tijd om mee te doen in de fase van de vereffening waarin de schuldeisers worden betaald.9
Noch een aandeel, noch de aanspraak op het liquidatiesaldo die daaruit voortvloeit is dus een vordering in de zin van Boek 6 BW.10 Daarom ontleent een aandeelhouder aan zijn aandeel geen wettelijk achtergestelde vordering.11