Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.7
4.7 De rechtsbeginselen waardoor het Hof van Justitie EU zich laat leiden
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS304319:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel 2.2.2.
Zie overwegingen 53 en 56; zie ook overweging 48 in HvJ 8 juni 2006, zaak C-106/05 (L.u.P.), V-N 2006/33.17 en de aldaar aangehaalde rechtspraak, en overweging 49 in HvJ 10 april 2008, zaak C-309/06 (Marks & Spencer), V-N 2008/21.22.
Zie Rompelman-arrest overweging 23, INZO-arrest overweging 16, Gabalfrisa-arrest overweging 45, Breitsohl-arrest overweging 37, Schloßstraße-arrest overweging 39.
INZO-arrest overwegingen 21 en 22.
Breitsohl-arrest overweging 41.
Zie Waterschap Zeeuws-Vlaanderen-arrest overweging 43.
Zie overweging 42.
In het Midland-arrest (overweging 19) volstond het Hof van Justitie EU nog met de volgende woorden: ‘Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat de aftrekregeling tot doel heeft, de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde BTW, mits die activiteiten op zich in beginsel aan de heffing van BTW zijn onderworpen.’
Overweging 24 in het Abbey National I-arrest; zie verder Cibo-arrest overweging 27, Kretztechnik-arrest overweging 34, Investrand-arrest overweging 22, Securenta-arrest overweging 25, VNLTO-arrest overweging 27, SKF-arrest overweging 27.
Zie Kühne-arrest overweging 10, Mohsche-arrest overweging 9, Bakcsi-arrest overweging 46, Fischer en Brandenstein-arrest overweging 76.
In het Elida Gibbs-arrest zijn de kernoverwegingen (29 t/m 33), waarin het Hof van Justitie EU vier keer het neutraliteitsbeginsel te berde brengt, de volgende (cursief SB): ‘29 Bijgevolg moet de maatstaf van heffing voor de fabrikant als belastingplichtige het bedrag zijn waarvoor hij de goederen aan de groot- of detailhandelaars heeft verkocht, minus de waarde van de bonnen. 30 Deze uitlegging vindt bevestiging in artikel 11 C, lid 1, van de Zesde richtlijn, dat om de neutraliteit van de positie van de belastingplichtige te waarborgen, bepaalt dat in geval van annulering, verbreking, ontbinding, gehele of gedeeltelijke niet-betaling of in geval van prijsvermindering nadat de handeling heeft plaatsgevonden, de maatstaf van heffing dienovereenkomstig wordt verlaagd onder de voorwaarden die door de Lid-Staten worden vastgesteld. 31 Deze bepaling betreft weliswaar het gewone geval van een tussen twee partijen rechtstreeks aangegane contractuele relatie die later een wijziging ondergaat, maar dit neemt niet weg, dat zij de uitdrukking vormt van het hiervóór beklemtoonde beginsel van neutraliteit van de positie van de belastingplichtigen. Uit deze bepaling volgt dus, dat om de eerbiediging van het neutraliteitsbeginsel te verzekeren, bij de berekening van de maatstaf van heffing van de BTW rekening moet worden gehouden met het geval van een belastingplichtige die met de eindverbruiker geen rechtstreekse contractuele relatie heeft, maar de eerste schakel is in een keten die bij de eindverbruiker eindigt, en die hem via de detailhandelaar korting verleent of hem rechtstreeks de waarde van de bonnen vergoedt. Anders zou de fiscus meer BTW ontvangen dan de eindverbruiker daadwerkelijk betaalt, en dat op kosten van de belastingplichtige. 32 Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door het betoog van de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Duitse en de Griekse regering, dat wanneer de maatstaf van heffing wordt verminderd met de korting of vergoeding die de eerste leverancier rechtstreeks aan de consument geeft nadat hij de goederen aan een groot- of detailhandelaar heeft geleverd, de werking van het BTW-mechanisme dreigt te worden ontwricht en het stelsel onwerkbaar dreigt te worden, omdat elke groot- en detailhandelaar in de keten dan verplicht zou zijn de prijs en derhalve ook het bedrag aan BTW die hij aan zijn eigen leverancier heeft betaald, achteraf aan te passen, en omdat die leverancier dan gecorrigeerde facturen zou moeten afgeven. 33 Het BTW-stelsel wordt door die aftrek immers niet ontwricht, daar de maatstaf van heffing voor de tussenliggende transacties niet behoeft te worden aangepast. Deze maatstaf blijft integendeel ongewijzigd, daar voor deze transacties de toepassing van het neutraliteitsbeginsel gewaarborgd wordt door de aftrekregeling van hoofdstuk XI van de Zesde richtlijn, op grond waarvan de tussenschakels in de distributieketen, zoals groot- en detailhandelaars, de voor de overeenkomstige transactie aan hun leverancier betaalde BTW van hun eigen maatstaf van heffing kunnen aftrekken en aldus aan de fiscus het deel van de BTW kunnen afdragen dat beantwoordt aan het verschil tussen de prijs die elkeen aan zijn leverancier heeft betaald, en de prijs waarvoor hij de goederen aan zijn koper heeft geleverd.’
In de overwegingen 39, 48, 57, 70, 71, 72 en 80.
Zie o.a. Jan Sanders die in ‘Beperkte uitleg? Ruim uitleggen!‘, NTFR 2008-1010, het neutraliteitsbeginsel als een van de ‘redders in de nood’ noemt; in zijn aantekening onder HvJ EG 19 april 2007, zaak C-455/05 (Velvet Steel), NTFR 2007-861, noemt Sanders het woord ‘neutraliteit’ een ‘toverwoord’.
Na hiervoor in dit hoofdstuk alle voor dit onderzoek relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie EU besproken te hebben, sluit ik af met een onderzoek naar de rechtsbeginselen waardoor het Hof van Justitie EU zich in zijn beslissingen laat leiden. Deze beginselen vormen met het positieve Europees recht en de wezenlijke kenmerken van het btw-stelsel, het toetsingskader voor de in hoofdstuk 5 te bespreken nieuwe Nederlandse regelgeving (zie hiervoor onderdeel 1.4.6).
Er zijn maar weinig beslissingen van het Hof van Justitie EU waarin het niet refereert aan rechtsbeginselen zoals het neutraliteitsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Het mag geen verbazing wekken dat in de btw-arresten van het Hof van Justitie EU vooral het neutraliteitsbeginsel een prominente rol speelt. Zoals ik in hoofdstuk 2 heb beschreven1 is juist het feit dat een belasting op de toegevoegde waarde met aftrek van voorbelasting in velerlei opzicht maximale neutraliteit verzekert een belangrijke reden, zo niet de belangrijkste reden, geweest voor de toenmalige EEG-lidstaten om in de jaren ’60 voor dit systeem te kiezen. In het systeem van de belasting op de toegevoegde waarde met aftrek van voorbelasting wordt de neutraliteit met name gerealiseerd door de aftrek van voorbelasting. Het is om die reden dat het Hof van Justitie EU zijn beslissingen in de arresten die handelen over de aftrek van voorbelasting bijna altijd toetst aan het neutraliteitsbeginsel.
In het Sandra Puffer-arrest maakt het Hof van Justitie EU de samenhang duidelijk tussen het gelijkheids- en neutraliteitsbeginsel. Het hof stelt dat het gelijkheidsbeginsel ter zake van btw tot uitdrukking komt in het beginsel van fiscale neutraliteit, dat in de eerste plaats de gelijkheid van behandeling van belastingplichtigen verzekert.2 Het eventuele verschil in behandeling tussen belastingplichtigen en niet-belastingplichtigen vloeit daaruit voort en is daaraan ondergeschikt.
Het neutraliteitsbeginsel is dus een leidend beginsel in de btw. In de jurisprudentie inzake de belastingplicht en het ontstaan van het recht op aftrek brengt het hof dat tot uitdrukking door bij herhaling op te merken dat het beginsel van neutraliteit van de btw ten aanzien van de fiscale belasting van de ondernemer vereist dat de eerste investeringsuitgaven die worden gedaan ten behoeve en ter verwezenlijking van een onderneming, als economische activiteiten worden aangemerkt. Een andere uitleg van art. 4 Zesde richtlijn zou in strijd zijn met het beginsel van de neutraliteit van de btw omdat het zou neerkomen op een willekeurig onderscheid tussen investeringsuitgaven vóór en tijdens de daadwerkelijke exploitatie van een onderneming.3 Daarnaast zou het in strijd zijn met het neutraliteitsbeginsel wanneer een onderneming waaraan de hoedanigheid van belastingplichtige wordt verleend, deze hoedanigheid met terugwerkende kracht zou kunnen worden ontnomen op grond dat bepaalde gebeurtenissen zich al dan niet hebben voorgedaan.4 Wanneer er geen sprake is van fraude of misbruik, verlangt het beginsel van de neutraliteit van de btw, behoudens eventuele herzieningen overeenkomstig de voorwaarden van art. 20 Zesde richtlijn, dat het recht op aftrek, zodra het eenmaal is ontstaan, behouden blijft.5 Het feit dat publiekrechtelijke lichamen niet als belastingplichtigen worden aangemerkt voor de handelingen die zij als overheid verrichten kan tot op zekere hoogte de toepassing van de beginselen van neutraliteit en gelijke behandeling doorkruisen, maar dit gevolg is inherent aan het bestaan van uitzonderingen op het btw-stelsel.6 Om de neutraliteit van de belastingdruk te garanderen staat het Hof van Justitie EU in het Faxworld-arrest toe dat een Vorgründungsgesellschaft, als overdrager, de belaste handelingen van de overnemer, te weten de Aktiengesellschaft, in aanmerking neemt om de btw te kunnen aftrekken.7
In de arresten waarin het Hof van Justitie EU de Midland-doctrine heeft ontwikkeld en toegepast begint het hof zijn beschouwingen steevast met een verwijzing naar het neutraliteitsbeginsel. Weliswaar werd in het Midland-arrest het neutraliteitsbeginsel nog niet met zoveel woorden genoemd8 maar in het Abbey National I-arrest herstelt het hof dit verzuim met een formulering, of liever gezegd formule die in alle latere arresten bijna letterlijk wordt herhaald9:
Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat de aftrekregeling tot doel heeft de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde BTW. Het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde waarborgt derhalve een volstrekt neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteiten,mits die activiteiten op zich aan de heffing van BTW zijn onderworpen.
In het Abbey National I-arrest laat het Hof van Justitie EU hierop volgen dat, ofschoon de door de overdrager (in casu was sprake van een buiten de btw-heffing blijvende overdracht van een algemeenheid van goederen) gebruikte diensten geen rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met één of meer in een later stadium verrichte handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat, de kosten van deze diensten wel deel uitmaken van de algemene kosten van de belastingplichtige en als zodanig bestanddelen van de prijs van de producten van de onderneming zijn. Deze kosten moeten worden beschouwd als onlosmakelijk verbonden met de gehele economische activiteit van de onderneming vóór de overdracht. Elke andere uitlegging van art. 17 Zesde richtlijn zou in strijd zijn met het beginsel van volledige neutraliteit van het btw-stelsel ten aanzien van de fiscale belasting van alle economische activiteiten van het bedrijf, op voorwaarde dat deze zelf aan btw zijn onderworpen, en zou de ondernemer bij het verrichten van zijn economische activiteit belasten met de kosten van btw, zonder dat hij deze zou kunnen aftrekken. Dit zou neerkomen op een willekeurig onderscheid tussen uitgaven ten behoeve van een onderneming vóór en tijdens de daadwerkelijke exploitatie van die onderneming, en uitgaven die zijn gedaan om die exploitatie te beëindigen.
In het SKF-arrest beroept het Hof van Justitie EU zich in de hiervoor in onderdeel 4.4.13 geciteerde overwegingen 67 t/m 69 op het neutraliteits- en gelijkheidsbeginsel, wanneer het de toepassing van de Midland-doctrine uitbreidt tot uitgaven die rechtstreeks en onmiddellijk verband lijken te houden met vrijgestelde, niet-aftrekgerechtigde prestaties. Een andere uitleg zou de ondernemer, tegen de bedoeling van het btw-stelsel, bij zijn economische activiteit belasten met niet-aftrekbare voorbelasting.
Zoals het gelijkheidsbeginsel in het kader van de btw-heffing tot uitdrukking komt in het neutraliteitsbeginsel, zo komt volgens de Midland-doctrine van het Hof van Justitie EU het neutraliteitsbeginsel tot uitdrukking in wat ik hiervoor in onderdeel 4.4.3 het beginsel van de doorberekende kosten heb genoemd. Kosten die de ondernemer maakt ten behoeve van de gehele economische activiteit van de onderneming en als zodanig bestanddeel zijn van de prijs van zijn prestaties maken deel uit van de algemene kosten. De op deze kosten drukkende btw is aftrekbaar in de mate dat de ondernemer belaste prestaties verricht. Aldus wordt recht gedaan aan de beoogde neutraliteit, inhoudende dat de ondernemer ontlast dient te worden van alle door hem betaalde btw (voorbelasting) voor zover zijn activiteiten op zich aan de btw zijn onderworpen.
In de jurisprudentie inzake het keuzevermogen (zie onderdeel 2.7.1) en de fictieve heffingen (zie onderdeel 4.6) speelt het neutraliteitsbeginsel ook een belangrijke rol, hetgeen blijkt uit de in verschillende arresten terugkerende overweging van het hof dat belastingheffing over een bedrijfsgoed waarvoor geen recht op aftrek van het belastingrestant is ontstaan, leidt tot dubbele belastingheffing, wat in strijd is met het beginsel van de belastingneutraliteit, dat ten grondslag ligt aan het gemeenschappelijke btw-stelsel waarvan de Zesde richtlijn deel uitmaakt.10 In onderdeel 4.6.4 heb ik toegelicht waarom ik moeite heb met het Kuwait Petroleum-arrest in het licht van het eerder gewezen Elida Gibbs-arrest. In dit laatste arrest beroept het Hof van Justitie EU zich meermalen op het neutraliteitsbeginsel.11 Des te vreemder is het mijns inziens dat het hof in het Kuwait Petroleum-arrest het neutraliteitsbeginsel niet één keer noemt, temeer daar de beslissing van het hof in de in dit arrest aan de orde zijnde casus resulteert in dubbele heffing wanneer zowel de brandstof als de geschenken aan eindverbruikers worden geleverd. Dat lijkt in strijd met het neutraliteitsbeginsel.
Naast de hiervoor besproken gevallen waarin het beroep van het hof op het neutraliteitsbeginsel gerechtvaardigd en begrijpelijk lijkt, kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat het hof soms het neutraliteitsbeginsel er met de haren bijsleept om zich uit een moeilijke situatie te redden. Een mooi voorbeeld hiervan is HvJ EG 21 april 2005, zaak C-25/03 (HE), BNB 2005/229, noot M.E. van Hilten. In deze zaak ging het om het recht op aftrek van voorbelasting in de situatie dat een in gemeenschap van goederen gehuwd echtpaar een woning laat bouwen, alleen de mannelijke echtgenoot als ondernemer in de zin van de btw kwalificeert en de aannemer de facturen aan het echtpaar richt. In het HE-arrest moet het Hof van Justitie EU zich in allerlei bochten wringen om tot een bevredigende oplossing te komen in deze specifieke situatie waarin sprake is van een huwelijksgoederengemeenschap waarin één van de partners ondernemer is en de andere niet. Daarbij verwijst het Hof van Justitie EU zeven keer naar het neutraliteitsbeginsel.12 Het hof loopt mijns inziens daarmee wel het risico dat het neutraliteitsbeginsel verwordt tot een panacee voor moeilijke gevallen.13