Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/7.5.1
7.5.1 Betaling bij pandexecutie
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS614467:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
F.M.J. Verstijlen, Algemene bepalingen pand en hypotheek, Monografieën BW, BII, Deventer: Wolters Kluwer 2013, p. 48; P.A. Stein, Groene Serie Vermogensrecht, commentaar art. 3:251 BW, nr. 20.
N.E.D. Faber en N.S.G.J. Vermunt, ‘De Security Trustee in crisistijden’, in: De Kredietcrisis, Serie Onderneming en Recht deel 54, Deventer: Wolters Kluwer 2010, p. 140: “een pandhouder bij de uitwinning van activa – anders dan een hypotheekhouder of beslaglegger – zelf de (gehele) executieopbrengst in handen krijgt”; N.S.G.J. Vermunt, ‘Enkele knelpunten bij pand, hypotheek en beslag’, in: S.C.J.J. Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 10 jaar Nieuw Burgerlijk Recht, Deventer: Kluwer 2002, p. 334: “In tegenstelling tot beslag en hypotheek zal bij executie door een pandhouder – doordat er geen sprake is van tussenkomst van een neutrale derde – de executieopbrengst eerst het vermogen van de pandhouder passeren, alvorens het aan de gerechtigden tot die opbrengst (…).”
P.A. Stein, Groene Serie Vermogensrecht, art. 3:253 BW, aant. 2.
Recent: HR 14 februari 2014, NJ 2014/264 (Feenstra q.q./ING), § 3.4.2, m.nt. F.M.J. Verstijlen, § 11. Vgl. S.C.J.J. Kortmann, ‘Verrekening door de bank/stil pandhouder vóór of tijdens het faillissement van de pandgever’, in: S.C.J.J. Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 10 jaar Nieuw Burgerlijk Recht, Deventer: Kluwer 2002, p. 397-398; N.E.D. Faber, Verrekening (diss.), Deventer: Kluwer 2005, nr. 3, 6, (voornamelijk) 111, 187 en 354; Vgl. R.D. Vriesendorp, ‘Onderhandse uitwinning van zekerheidsrechten: Executoriaal of vrijwillig, ‘that is the question’ in: Groninger Zekerheid – Liber Amicorum Wim Reehuis, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 459. Zie voor rechtspraak: HR 29 januari 1993, NJ 1994/171, m.nt. P. van Schilfgaarde, § 4; HR 4 november 1994, NJ 1995/627, § 2; HR 19 september 1997, RvdW 1997/176, JOR 1997/133, m.nt. S.C.J.J. Kortmann, § 4; HR 3 december 2004, NJ 2005/200, m.nt. P. van Schilfgaarde; HR 16 september 2011, NJ 2012/89, m.nt. P. van Schilfgaarde; Gerechtshof ’s- Gravenhage 16 september 2008, JOR 2009/169 en Rb Dordrecht 6 juni 2007,JOR 2007/220.
N.E.D. Faber, Verrekening (diss.), Deventer: Kluwer 2005, nr. 3, 6, (voornamelijk) 111, 187 en 354.
Noot van B.A. Schuijling en N.E.D. Faber onder HR 14 februari 2014, NJ 2014/264 (Feenstra q.q./ING), § 4.
N.E.D. Faber, Verrekening (diss.), Deventer: Kluwer 2005, p. 9 en 116. De Hoge Raad heeft de betreffende nuance gemaakt door in het arrest Feenstra q. q./ING verrekening tussen aanhalingstekens te plaatsen (zie r.o. 3.4.2.). Vgl. F. H. van der Beek en K.A. Messelink in TvI 2014/23, p. 8/10.
Art. 463 lid 1 Rv.
P.A. Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:253 BW, aant. 2.
De gedachte bij een openbare executoriale verkoop is dat naast het weren van weinig solvabele bieders, zo ook bieders kunnen worden geëlimineerd bij wie de deurwaarder twijfelt aan de ernst van hun bod. A.J. Gieske, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 469 Rv, aant. 3.
Zie bijv.: noot I. van Gasteren, § 6, onder Rb Amsterdam 30 januari 2015, JOR 2015/158.
Art. 490b lid 1 Rv luidt als volgt: “Indien een pandhouder krachtens zijn pandrecht heeft geëxecuteerd en er beperkt gerechtigden of beslagleggers zijn als bedoeld in de derde volzin van art. 253, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, wordt het daar bedoelde overschot dat van de netto- opbrengst na afhouding van het aan de pandhouder krachtens zijn rang toekomende is overgebleven, aan hen uitgekeerd overeenkomstig hetgeen zij en de pandgever omtrent de verdeling daarvan zijn overeengekomen.”
Vgl. N.S.G.J. Vermunt, ‘Enkele knelpunten bij pand, hypotheek en beslag’, in: S.C.J.J. Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 10 jaar Nieuw Burgerlijk Recht, Deventer: Kluwer 2002, p. 334.
R.J.G. Mengelberg, SDU Commentaar, art. 490b Rv, aant. C.2: “Hoewel dat niet meteen volgt uit de woorden “de opbrengst tot tenminste het bedrag van het overschot” in het tweede lid, blijkt uit de volgende artikelleden, dat het de pandhouder vrijstaat niet alleen de kosten, maar ook zijn vordering uit de opbrengst te voldoen. De pandhouder kan dan zo buiten de rangregeling blijven.”
Op de vraag of credit bidding al dan niet in strijd zou kunnen zijn met bijvoorbeeld de redelijkheid en billijkheid die de pandhouder in acht zou moeten nemen jegens andere schuldeisers, of dat bijvoorbeeld sprake kan zijn van ongerechtvaardigde verrijking, ga ik niet in.
Vgl. G.Á.C. OrbÁn en R.J. de Weijs, ‘Loan-to-Own meets Credit Bid: Credit Bidding naar Amerikaans en Nederlands recht’, TvI 2016/15, § 6 (p. 117).
Bij parate executie van een pandrecht (in de vorm van een onderhandse verkoop met toestemming van de voorzieningenrechter) kan gezegd worden dat de betreffende pandhouder verkoopt op grond van een eigen recht: het is de pandhouder die als verkoper optreedt en de betreffende vermogensrechten levert.1 De pandhouder en de koper komen een koop overeenkomst overeen op grond waarvan de koper aan de pandhouder een koopsom verschuldigd wordt. De koper voldoet de koopprijs aan de pandhouder.2Art. 3:253 BW houdt deze regel niet uitdrukkelijk in, “maar gaat ervan uit dat die regel bestaat en regelt vervolgens de gevolgen die daaraan zijn verbonden”.3 Uit dit bedrag voldoet de pandhouder de kosten van executie. Van de resterende netto-opbrengst voldoet hij vervolgens het aan hem verschuldigde bedrag. De pandhouder is bevoegd hetgeen is ontvangen in mindering te brengen op de vordering op de pandgever.
Dit “in mindering brengen” is geen verrekening. De hoogte van de vordering van de zekerheidsgerechtigde neemt weliswaar af met het bedrag van de netto-opbrengst, maar hier is geen sprake van verrekening in de zin van de wet (art. 6:127 BW en art. 53 Fw).4 Daarvoor is immers vereist dat vordering en schuld verrekenbaar tegenover elkaar staan.5 De schuld eiser die als pandhouder tot de netto-opbrengst is gerechtigd, is niet tot schuldenaar van de pandgever geworden: hij is niet verplicht tot afdracht van hetgeen is ontvangen. Van verrekening van een schuld van de pandhouder aan de pandgever is dus geen sprake.6 Dit geldt ook bij een rekening-courantverhouding tussen schuldenaar en schuldeiser. De creditering van de rekening is namelijk slechts een administratieve verwerking van de voldoening uit de verkoopopbrengst en heeft met verrekening in eigenlijke zin niets van doen.7
Bij openbare verkoop van de in pand gegeven zaak vindt de verkoop door de deurwaarder plaats.8 Naar analogie van de art. 469 en 474 Rv is het de deurwaarder die de koopprijs in ontvangst moet nemen. In de literatuur wordt gesteld dat de deurwaarder daarbij slechts fungeert als intermediair: hij zal de koopprijs onmiddellijk na ontvangst aan de pandhouder moeten afgeven.9 Op grond van deze gedachte is het voor credit bidding bij openbare verkoop wellicht mogelijk om de voorwaarde van art. 469 lid 1 en 474 Rv te negeren. Dat lijkt echter niet mogelijk indien de deurwaarder zich beroept op art. 469 lid 2 Rv, op grond waarvan de deur waarder bevoegd is van de bieder te vorderen dat de geboden koopsom aan hem ter hand wordt gesteld en hij de koopsom onder zich kan houden, totdat de zaak is toegewezen. Voldoet de bieder hier niet aan dan vervalt zijn bod volgens art. 469 lid 2 Rv.10 Als de pandhouder over wenst te gaan tot credit bidding dan zal dit echter waarschijnlijk via een onderhandse verkoop plaatsvinden. Er is immers geen reden voor een openbaar verkoopproces. De vraag naar de al dan niet analoge toepassing van art. 439 – art. 474 Rv lijkt voor dit hoofdstuk dus minder relevant en wordt niet verder behandeld.11
Bij onderhandse executie geldt op grond van art. 3:253 lid 1 BW dat wanneer er andere gerechtigden zijn de opbrengst wordt verdeeld op de in art. 490b Rv voorgeschreven wijze.12 Hoewel art. 490b Rv wordt aangemerkt als de “pendant” van art. 551 Rv (en in art. 551 Rv is bepaald dat in geval van executie door een hypotheekhouder niet art. 551 Rv maar uitsluitend art. 3:270 BW van toepassing is),13 is in art. 490b Rv niet expliciet bepaald dat bij de executie door een pandhouder het BW uitsluitend van toepassing is. De reden lijkt te zijn dat het BW een soortgelijke procedure als art. 3:270 BW niet voorschrijft voor pandexecutie.
Voor onderhandse pandexecutie schrijft de wet niet voor dat de koopprijs daadwerkelijk aan een bepaalde tussenpartij (bijvoorbeeld een notaris of deurwaarder) moet worden overgemaakt.14 De pandhouder kan vervolgens buiten een eventuele rangregeling blijven.15 De pandhouder moet echter wel verantwoording van het gestorte bedrag afleggen, waarna binnen de in art. 484 Rv bedoelde termijn geen tegenspraak ter zake van het door de pandhouder afgehouden bedrag moet worden gedaan (art. 490b lid 3 Rv) (lees: het bedrag moet niet betwist worden). Als de gesecureerde vordering hoger is dan de koopprijs en niet wordt betwist (ex art. 3:253 BW jo. art. 490b Rv), dan lijkt uit hoofde van genoemde artikelen geen (tijdelijke) betaling van geld door de pandhouder nodig te zijn. Op wetstechnische gronden heeft de pandhouder als koper – na de voldoening van de executiekosten – dus geen liquide middelen nodig om bij een onderhandse verkoop de koopprijs te voldoen.16 Om deze reden is er bij pandexecutie in beginsel de mogelijkheid voor credit bidding.17