Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht
Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/11.13.3:11.13.3 Verwijzing in de kosten van het geding
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/11.13.3
11.13.3 Verwijzing in de kosten van het geding
Documentgegevens:
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS577557:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het gevaar voor de eiser om bij verlies de proceskosten van de wederpartij te moeten betalen, kan de gelaedeerde afschrikken van het instellen van een civiele procedure. Volgens het Groenboek en het Witboek spelen voorschriften inzake vergoeding van de proceskosten dan ook een belangrijke rol als positieve of negatieve prikkels voor het instellen van vorderingen tot verkrijging van schadevergoeding. In het kader van het recht op een doeltreffende toegang tot de rechter wordt in het Groenboek de vraag gesteld of er bijzondere voorschriften moeten worden ingevoerd om het kostenrisico voor de verzoeker te beperken. In de voorgestelde optie (optie 27) worden de in het ongelijk gestelde verzoekers slechts in de kosten verwezen wanneer zij kennelijk onredelijk hebben gehandeld door de zaak voor de rechter te brengen. Het introduceren van een dergelijke regel zou kunnen bijdragen aan de privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht.1 Bij de introductie van een dergelijke regel zou nog een onderscheid kunnen worden gemaakt tussen hardcore overtredingen en niet-hardcore overtredingen, waarbij een dergelijke regel alleen zou gelden voor hardcore overtredingen.2 In het Witboek moedigt de Commissie de lidstaten aan om procedureregels uit te werken die schikkingen aanmoedigen. Dit wordt gezien als een methode om kosten te verminderen. Zie voor de stimulering van schikkingen naar Nederlands recht reeds artikel 87 Rv (schikkingscomparitie), artikel 131 Rv (comparitie na antwoord) en artikel 3:305a lid 2 BW (collectiviteit pas ontvankelijk als eerst een schikking is beproefd). Daarnaast zouden gerechtskosten op passende wijze moeten worden vastgesteld, zodat deze geen onevenredige belemmerende werking hebben ten aanzien van schadevergoedingsacties wegens schending van de mededingingsregels. Tevens moedigt de Commissie in het Witboek de lidstaten aan om de rechter de discretionaire bevoegdheid te verlenen om bij de aanvang van een proces te bevelen dat de verzoeker geen kosten zal moeten dragen, zelfs niet indien hij in het ongelijk zou worden gesteld.3 De laatste maatregel gaan echter wel (te) ver. De invoering van een dergelijke regel zou ertoe kunnen leiden dat eisers te lichtzinnig beginnen aan een civiele procedure. Zeker gelet op het feit dat de in het gelijk gestelde gedaagde in dergelijke gevallen veelal de gehele kosten van een procedure zal moeten dragen, terwijl de in het ongelijk gestelde eiser niets hoeft te betalen. Excessief procederen, waarbij misbruik wordt gemaakt van de voordeligere positie waarin de eiser zit als gevolg van de invoering van de bijzondere wetgeving, dient te worden voorkomen. De invoering van een dergelijke regel is dan ook, gelet op de belangen van de gedaagde, niet te rechtvaardigen. De belangen van de eiser en de gedaagde dienen zo goed mogelijk in evenwicht te blijven, en niet opzij worden gezet met het oog op het publieke belang van meer privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht. Door de gedaagde gemaakte onredelijke of buitensporige kosten hoeven door de in het ongelijk gestelde eiser naar Nederlands recht niet te worden gedragen op grond van de forfaitaire liquidatietarieven en de mogelijkheid voor de rechter om op grond van artikel 242 Rv de kostenveroordeling te matigen.4