Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.4.2.5:13.4.2.5 Waardering van certificaten in box 1
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/13.4.2.5
13.4.2.5 Waardering van certificaten in box 1
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232871:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 3.112 Wet IB 2001.
Zie nader paragraaf 13.4.2.2 hiervoor.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Evenals bij box 2, komt ook in de context van box 1 de vraag op hoe het gecertificeerde vermogen gewaardeerd moet worden. Ik bespreek deze vraag puntsgewijs voor de elementen van box 1 die ik hiervoor behandeld heb:
Certificaten kunnen slechts binnen het bereik van winst uit onderneming vallen, indien de certificaathouder economisch eigenaar en daarmee fiscaal eigenaar van het gecertificeerde vermogen is. Daaruit volgt mijns inziens dat met de certificering geen rekening gehouden hoeft te worden bij de waardering. De gecertificeerde goederen en schulden dienen derhalve in aanmerking genomen te worden naar de waarde in het economische verkeer.
Ook voor de eigenwoningregeling geldt dat toepassing hiervan op certificaten slechts mogelijk kan zijn indien de certificaathouder economisch eigenaar is (en tevens een gebruiksrecht heeft). Ook in dit geval dient voor de waardering daarom niet aangesloten te worden bij de certificaten, maar bij de gecertificeerde onroerende zaak. De (positieve) voordelen uit eigen woning beperken zich evenwel tot het eigenwoningforfait, dat gebaseerd is op de WOZ-waarde van de woning.1 Bij dit waarderingsvoorschrift kan dan uiteraard worden aangesloten.
De terbeschikkingstellingsregeling kan ten slotte wel van toepassing zijn op zowel de situatie dat de certificaathouder economisch eigenaar is van het gecertificeerde vermogen, als de situatie waarin dat niet zo is. Indien wel sprake is van economische eigendom, dient naar mijn mening ook voor de terbeschikkingstellingsregeling geabstraheerd te worden van de omstandigheid dat gecertificeerd is en dient de waarde in het economische verkeer van de gecertificeerde goederen in aanmerking genomen te worden. Als daarentegen geen sprake is van economische eigendom, is de vraag of nog steeds de gecertificeerde goederen gewaardeerd moeten worden, of de certificaten met de daaraan verbonden beperkingen, zoals die voortvloeien uit de administratievoorwaarden. Dit hangt mijns inziens af van de benadering die men kiest. Enerzijds valt ook in deze context te betogen dat de terbeschikkingstellingsregeling dermate ruim is dat ook indirecte terbeschikkingstelling hier onder valt en dat daarmee dan aangesloten dient te worden bij de waarde van het indirect ter beschikking gestelde vermogensbestanddeel, waarbij de tussenschakel en daaruit voortvloeiende beperkingen genegeerd worden. Anderzijds kan men betogen dat de certificaathouder nu eenmaal slechts het certificaat heeft en dat dit met beperkingen gepaard gaat, die ook in de waardering meegenomen dienen te worden. Ook in deze context valt voor beide benaderingen wat te zeggen. Welke men ook aanhangt, men dient daarbij in ieder geval zo consistent te zijn dat als hier wordt uitgegaan van waardering naar de waarde in het economische verkeer van het gecertificeerde vermogen, daarmee ook samenhangt dat voor de realisatie van resultaat uit overige werkzaamheden wordt aangesloten bij het realisatiemoment van de STAK.2 Als echter slechts gekeken wordt naar de waarde van het certificaat, moet dit gepaard gaan met het uitstel van heffing van de certificaathouder tot het moment dat deze daadwerkelijk een uitkering van de STAK ontvangt.
De vraag in hoeverre de waardering van certificaten een knelpunt kan vormen, dat aan certificering in de weg kan staan, wordt in het algemeen besproken in paragraaf 15.2.