Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/15.3.4:15.3.4 Dividendregels vs. Existenzvernichtung
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/15.3.4
15.3.4 Dividendregels vs. Existenzvernichtung
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS410249:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wiedemann spreekt over de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het “Dominoeffekt” (Wiedemann 2003, p. 292).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De aansprakelijkheid van aandeelhouders vanwege existenzvernichtenden Eingriffs vormt een belangrijke aanvulling op de vennootschapsrechtelijke crediteurenbescherming die uitgaat van §§ 30 en 31 GmbHG. Hoewel de Duitse uitkeringsregeling een ruim bereik heeft, is er een tweetal situaties waarin zij geen bescherming biedt, terwijl deze bescherming wel gerechtvaardigd is; in Duitsland spreekt men van Schutzlücke. Ten eerste kunnen aandeelhouders op grond van § 31 GmbHG louter worden aangesproken tot terugbetaling van een ten onrechte ontvangen uitkering. Als de uit een vermogensonttrekking voortvloeiende schade groter is dan het bedrag van de uitkering – bijvoorbeeld omdat causaal verband bestaat tussen de uitkering en het faillissement – kan deze gevolgschade niet op grond van § 31 GmbHG van de aandeelhouder worden gevorderd. Als de curator ageert op grond van § 826 BGB, kan de aandeelhouder worden aangesproken voor de gehele schade die het gevolg is van de uitkering, dus ook eventuele gevolgschade.1
Ten tweede biedt de vennootschapsrechtelijke uitkeringsregeling geen bescherming aan crediteuren indien de schadeveroorzakende transactie tussen de aandeelhouder en de vennootschap niet kwalificeert als ongeoorloofde uitkering in de zin van § 30 GmbHG. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een transactie weliswaar het eigen vermogen van de vennootschap niet beneden de grens van het nominale kapitaal doet dalen, of sterker nog, in het geheel geen vermindering van het eigen vermogen van de vennootschap tot gevolg heeft, maar wel in een dusdanige mate de liquiditeitspositie van de vennootschap aantast dat haar faillissement daarop volgt. In dat geval bestaat geen vordering op de aandeelhouder uit hoofde van § 31 GmbHG, maar kan hij wel worden aangesproken op grond van § 826 BGB.
Het belangrijkste verschil tussen de terugbetalingsverplichting uit hoofde van § 31 GmbHG en de aansprakelijkheid ex § 826 BGB is gelegen in de subjectieve vereisten. De vennootschapsrechtelijke terugbetalingsverplichting geldt ongeacht de wetenschap van de aandeelhouder ter zake van het ongeoorloofde karakter van de onttrekking. Staat eenmaal vast dat een uitkering ten laste van het kapitaal werd gefinancierd, dan is niet relevant of de aandeelhouder dit wist of kon weten. Voor aansprakelijkheid vanwege een onrechtmatige uitkering is vereist dat de aandeelhouder opzet had in de zin van § 826 BGB. Daarvoor is in ieder geval vereist dat de aandeelhouder de voor de crediteuren nadelige gevolgen van de uitkering overzag en op de koop heeft toegenomen.