Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/3.2.8.11
3.2.8.11 Benoeming van een rechtspersoon-onderzoeker
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652362:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hermans 2017, p. 138; Hermans 2022, p. 616. Vgl. ook Dortmond, in: Faasse e.a. 2006, p. 23.
Vgl. Kortmann 2004, p. 208-209; Den Boogert 2010, p. 199-200.
Protocol lijst van OK-functionarissen Ondernemingskamer, bepalingen 3.a en 3.b.
Vgl. Tjittes (onder 5) in zijn annotatie bij HR 4 december 2009, JBPr 2010/6 (Greenworld/G c.s.), onder verwijzing naar HR 5 september 2008 (r.o. 3.5), NJ 2008/480; JOR 2008/293 (BT/Scaramea); Meijer 2017, p. 358. Uit BT/Scaramea volgt dat voor het aannemen van bewuste roekeloosheid – als opgenomen in een exoneratieclausule – de aanwezigheid van een subjectief verwijt ter zake van wetenschap met betrekking tot het ontstaan van de schade niet is vereist. Bewuste roekeloosheid kan dus ook objectief worden ingevuld. In o.m. het arbeidsrecht is dit anders, nu bewuste roekeloosheid hier enkel subjectief wordt uitgelegd, zie HR 20 september 1996 (r.o. 3.4), NJ 1997/198, m.nt. P.A. Stein (Pollemans/Hoondert); HR 14 oktober 2005 (r.o. 3.4.2), NJ 2005/539 (City Tax/De Boer); HR 1 februari 2008 (r.o. 5.2.2), NJ 2009/330 (Maasman/Akzo). Zie over het verschil in uitleg van de norm ‘bewuste roekeloosheid’ ook Duyvensz 2011, p. 228-230.
De potentiële onderzoeker kan er de voorkeur aan geven niet zelf als natuurlijke persoon tot onderzoeker te worden benoemd, maar de werkgever bij wie hij in loondienst is of waarvan hij aandeelhouder is tot onderzoeker te benoemen. Hermans betoogt dat ook een rechtspersoon tot onderzoeker kan worden benoemd, nu de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunt bevat dat op het tegendeel wijst en ook in de gewone civiele procedure een rechtspersoon als deskundige kan worden benoemd.1
Mijns inziens is een benoeming van een rechtspersoon tot onderzoeker naar huidig recht niet mogelijk en onwenselijk. De onderzoeker kan aan de aanvaarding van zijn benoeming mijns inziens evenmin de voorwaarde verbinden dat niet hijzelf als natuurlijke persoon, maar zijn werkgever als onderzoeker wordt benoemd. De benoeming tot onderzoeker heeft een persoonlijk karakter.2 Een natuurlijke persoon wordt tot onderzoeker benoemd vanwege zijn persoonlijke kwaliteiten. Daarbij past niet dat de werkgever van die natuurlijke persoon tot onderzoeker wordt benoemd. De Ondernemingskamer heeft ook niet eerder een rechtspersoon tot onderzoeker benoemd, en gezien de tekst van haar Protocol lijst van OK-functionarissen Ondernemingskamer lijkt zij die mogelijkheid niet toe te laten. Dit protocol gaat uit van de kandidaat-onderzoeker, die een verzoek doet tot plaatsing op de lijst van benoembare onderzoekers, en zijn verzoek dient te voorzien van een curriculum vitae. Daarnaast is onderdeel van de ‘sollicitatie’ in beginsel een gesprek vooraf met de kandidaat-onderzoeker.3 Dergelijke verplichtingen benadrukken ook het persoonlijke karakter van een benoeming tot onderzoeker.
De benoeming van een rechtspersoon tot onderzoeker zou de natuurlijke persoon die het onderzoek daadwerkelijk uitvoert ook slechts beperkt bescherming bieden. De rechtspersoon-onderzoeker is dan aansprakelijk op de voet van art. 2:351 lid 5 BW (par. 3.2.3.2.2). Onder omstandigheden kan de rechtspersoon-onderzoeker verhaal nemen op de natuurlijke persoon die het onderzoek heeft verricht. Is die natuurlijke persoon aandeelhouder in de rechtspersoon-onderzoeker, dan zal hier niet spoedig aanleiding voor zijn, nu een aandeelhouder in beginsel niet aansprakelijk is (art. 2:64/175 lid 1 BW). Wel kan de verplichting tot schadevergoeding financiële gevolgen hebben voor de rechtspersoon, die ook de aandeelhouder kunnen raken. Verhaal op de natuurlijke persoon als werknemer van de rechtspersoon-onderzoeker is op grond van art. 7:661 lid 1 BW slechts mogelijk in geval van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.4 Die norm biedt de natuurlijke persoon naar verwachting weinig bescherming. De aansprakelijkheid van de rechtspersoon-onderzoeker is immers gebaseerd op het opzettelijk onbehoorlijk of met een kennelijk grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt handelen van een natuurlijke persoon binnen zijn organisatie. Die maatstaf overlapt met de ‘opzet of bewuste roekeloosheid’ van diezelfde natuurlijke persoon, zij het dat in het arbeidsrecht bewuste roekeloosheid subjectief wordt uitgelegd.5