Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/V.7.3.4.b
V.7.3.4.b Vaststelling van de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242795:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Ik wijs erop dat de algemene vergadering in beginsel bevoegd is de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders vast te stellen. De statuten kunnen echter van deze regel afwijken en het bestuur aanwijzen als het tot vaststelling van de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders bevoegde orgaan. Slechts in dat geval zijn de voorschriften van art. 2:129a/239a lid 1 en 2 BW relevant. Zie § V.5.2.5.
Deze bepaling kwam reeds in § V.5.2.5 aan bod.
Het verdient opmerking dat art. 2:129a/239a lid 2 BW tot 1 januari 2015 slechts de deelname aan de besluitvorming uitsloot. Met de inwerkingtreding van de Wet van 26 november 2014 tot herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, alsmede in de Wet op de dierproeven tot herstel van een abuis (Verzamelwet Veiligheid en Justitie 2013), Stb. 2014, 540, is deze omissie hersteld. De inwerkingtreding van de Verzamelwet Veiligheid en Justitie 2013 op 1 januari 2015 volgt uit het Besluit van 15 december 2014, gepubliceerd in Stb. 2014, 541.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 17 (MvT). Uiteraard nemen de niet-uitvoerende bestuurders met een tegenstrijdig belang niet deel aan de beraadslaging en besluitvorming, zo volgt uit art. 2:129/239 lid 6 BW.
Aldus ook Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/447; Boschma e.a. 2018, p. 141; en Schoonbrood & Meppelink, WPNR 2016/7114, p. 552.
Van Olffen 2009, p. 45.
In gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/438; Boschma e.a. 2018, p. 18; en Bulten 2014, p. 95-96.
Zie in verband met de niet-naleving van art. 2:129/239 lid 6 BW Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 12-13 (MvT). Is het besluit genomen door een ander dan het orgaan dat op grond van de tegenstrijdig belangregeling bevoegd is, dan is het besluit in beide gevallen niet vernietigbaar maar nietig ex art. 2:14 lid 1 BW. Zie hierover uitgebreid Nowak & Leijten, Ondernemingsrecht 2012/92.
Zie ook Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 17 (MvT); en Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 6 en 26 (NV).
Zie § VI.5.4.
Mocht de tegenstrijdig belangregeling van art. 2:129/239 lid 6 BW geen soelaas bieden, dan verhindert de rechtsregel uit de Intergamma-beschikking mijns inziens alsnog dat de niet-uitvoerende bestuurders respectievelijk de uitvoerende bestuurders deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming. Zie Hof Amsterdam (OK) 22 december 2017, JOR 2018/210 m.nt. Bulten (Intergamma). Zie hierover § IV.3.4.1.
Idem Bulten 2014, 94-95.
Ik begin met de regeling omtrent de vaststelling van de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders.1 Op grond van het eerste lid van art. 2:129a/239a BW kan de taak om de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders vast te stellen, niet aan een uitvoerend bestuurder worden toegedeeld.2 Het tweede lid van art. 2:129a/239a BW bepaalt vervolgens dat de uitvoerende bestuurders niet deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming over de vaststelling van de bezoldiging van een uitvoerend bestuurder.3 Dit betekent dat de niet-uitvoerende bestuurders de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders bepalen, ook al is het bestuur daartoe in de statuten aangewezen.4 Hebben ook alle niet-uitvoerende bestuurders een tegenstrijdig belang – hetgeen bijvoorbeeld voorstelbaar is bij familiebedrijven – dan wordt het bezoldigingsbesluit op grond van art. 2:129/239 lid 6 BW genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.5
Van Olffen vraagt zich af of de regeling omtrent de vaststelling van de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders wel van dwingend recht moet zijn. Zouden vennootschappen niet bij de statuten van deze regeling moeten kunnen afwijken?6 Een statutaire afwijkingsmogelijkheid zet volgens mij geen zoden aan de dijk. Ook als de wet de mogelijkheid zou bieden om bij de statuten van de regeling af te wijken, komt de tegenstrijdig belangregeling van art. 2:129/239 lid 6 BW om de hoek kijken. Ook in dat geval zou dus geen van de uitvoerende bestuurders mogen deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming omtrent de vaststelling van de bezoldiging van een van hen.
Aangezien het zesde lid van art. 2:129/239 BW reeds uitsluit dat de uitvoerende bestuurders deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming omtrent het bepalen van de bezoldiging van een van hen, vraag ik mij af wat de meerwaarde van deze bepaling is.7 De toegevoegde waarde van de bepaling ligt in ieder geval niet in de gevolgen van het niet-naleven van de regeling. In beide gevallen is het besluit mijns inziens vernietigbaar ex art. 2:15 lid 1 sub a BW.8 Volgens mij bevat art. 2:129a/239a lid 2 BW ten aanzien van de vaststelling van de bezoldiging van een uitvoerend bestuurder derhalve slechts een concrete uitwerking van de algemene tegenstrijdig belangregeling.9
Het tweede lid van art. 2:129a/239a BW roept bij mij de vraag op of de uitvoerende bestuurders enkel een tegenstrijdig belang hebben bij het vaststellen van de bezoldiging van een uitvoerend bestuurder. Of zijn er ook andere situaties waarbij de uitvoerende of niet-uitvoerende bestuurders een tegenstrijdig belang hebben, maar die niet uitdrukkelijk in art. 2:129a/239a lid 2 BW worden genoemd? Ik ben geneigd deze vraag positief te beantwoorden. Zoals ik in § IV.3.4.1 al schreef, hebben de niet-uitvoerende bestuurders eveneens een tegenstrijdig belang bij de vaststelling van de bezoldiging van een van hen. Hetzelfde geldt voor de uitvoerende bestuurders ten aanzien van het aanpassen van een bonus ex art. 2:135 lid 6 BW.10 Voor deze situaties heeft art. 2:129a/239a lid 2 BW geen oog. Tot problemen leidt dit overigens niet, aangezien steeds kan worden teruggevallen op de algemene tegenstrijdig belangregeling van art. 2:129/239 lid 6 BW. Deze regeling geldt mijns inziens onverkort.11
Kortom, ook zonder een op de bezoldiging van de uitvoerende bestuurders toegesneden variant van de tegenstrijdig belangregeling wordt het risico van belangenverstrengeling voorkomen. Het voorschrift van art. 2:129a/239a lid 2 BW schept in de huidige vorm louter verwarring.12 Ik stel daarom voor het voorschrift te schrappen.