Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/V.7.3.2
V.7.3.2 Tegenstrijdig belang en collectieve besluitvorming
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242794:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 6, p. 22 (NV).
Nowak, Ondernemingsrecht 2008/174.
Evenzo Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/229 en 447; en Schoonbrood & Meppelink, WPNR 2016/7114, p. 552. In Nowak, Ondernemingsrecht 2008/174, liet Nowak nog in het midden welke opvatting volgens hem de juiste was. In Nowak & Leijten, Ondernemingsrecht 2012/92, bekent hij kleur. Ook Nowak meent dat zowel de uitvoerende als de niet-uitvoerende bestuurders als ‘bestuurder’ kwalificeren.
Met de term ‘besmet’ doel ik op de bestuurders die een tegenstrijdig belang hebben.
Aldus ook Schoonbrood & Meppelink, WPNR 2016/7114, p. 552.
Idem Nowak & Leijten, Ondernemingsrecht 2012/92. Op grond van art. 2:129/239 lid 6 BW is de raad van commissarissen bevoegd het bestuursbesluit te nemen wanneer alle bestuurders een tegenstrijdig belang hebben. Aangezien een raad van commissarissen bij vennootschappen met een one tier board ontbreekt, schuift de bevoegdheid door naar de algemene vergadering. Voor de duidelijkheid wijs ik erop dat de algemene vergadering slechts bevoegd is het bestuursbesluit te nemen als alle bestuurders een tegenstrijdig belang hebben. Als om een andere reden geen bestuursbesluit kan worden genomen, schuift de bevoegdheid niet door. Zie uitgebreid Nowak & Leijten, Ondernemingsrecht 2012/92.
In gelijke zin onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/230; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 51.6, p. 979; en Nowak & Leijten, Ondernemingsrecht 2012/92.
Aldus ook Nowak & Leijten, Ondernemingsrecht 2012/92; en Schoonbrood & Meppelink, WPNR 2016/7114, p. 552.
De tegenstrijdig belangregeling is ook van toepassing op de besluitvorming in een one tier board.1 De vraag rijst hoe de regeling in dat geval moet worden toegepast. Volgens Nowak zijn er twee mogelijkheden. Allereerst is denkbaar dat de regeling voor commissarissen op het niet-uitvoerende deel van het bestuur van toepassing is. De regeling kan daarentegen ook zo worden uitgelegd dat zowel de uitvoerende als de niet-uitvoerende bestuurders als ‘bestuurder’ in de zin van art. 2:129/239 lid 6 BW te gelden hebben.2
Voor de eerste uitleg van Nowak biedt de wet noch de wetsgeschiedenis aanknopingspunten. Ik ben daarom van mening dat de tweede uitleg de juiste is.3 De niet-uitvoerende bestuurders vormen tenslotte geen orgaan. Zij maken tezamen met de uitvoerende bestuurders deel uit van het bestuursorgaan. Bovendien nemen de niet-uitvoerende bestuurders in beginsel deel aan de besluitvorming van het bestuur.
Heeft een uitvoerend of niet-uitvoerend bestuurder een tegenstrijdig belang, dan behoort het bestuursbesluit te worden genomen door de uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders die niet besmet zijn.4 Zijn alle uitvoerende bestuurders geconflicteerd, dan zijn de niet-uitvoerende bestuurders bevoegd het bestuursbesluit te nemen. Andersom geldt hetzelfde.5 Als alle uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders ten gevolge van een tegenstrijdig belang niet mogen deelnemen aan de beraadslaging en besluitvorming, dan kan het bestuur geen besluit nemen. De besluitbevoegdheid schuift in dat geval door naar de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen.6 De statuten kunnen bijvoorbeeld bepalen dat niet de algemene vergadering, maar het bestuur bevoegd is het bestuursbesluit te nemen.7 Voorstelbaar is ook dat de gezamenlijke niet-uitvoerende bestuurders worden aangewezen. Het aanwijzen van een ‘orgaan’ in de zin van art. 2:78a/189a BW is namelijk niet verplicht.8