Einde inhoudsopgave
Schadevergoeding bij de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (O&R nr. 126) 2021/6.2.2.2
6.2.2.2 Ten aanzien van het recht op bescherming van persoonsgegevens
mr. T.F. Walree, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. T.F. Walree
- JCDI
JCDI:ADS267485:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Verwerking persoonsgegevens
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 13 mei 2014, C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317 (Google Spain/Costeja), punt 34; HvJ EU 5 juni 2018, C-210/16, ECLI:EU:C:2018:388 (Wirtschaftakademie), punt 27-28; HvJ EU 10 juli 2018, C-25/17, ECLI:EU:C:2018:551 (Jehovan Todistajat), punt 66; HvJ EU 29 juli 2019, C-40/17, ECLI:EU:C:2019:629 (Fashion ID/Verbraucherzentrale), punt 65-66.
HvJ EU 20 december 2017, C-434/16, ECLI:EU:C:2017:994 (Nowak/DPC), punt 34.
HvJ EU 1 oktober 2019, C-673/19, ECLI:EU:C:2019:801 (Planet49), punt 52, 63.
HvJ EU 13 mei 2014, C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317 (Google Spain/Costeja), punt 92. Het in artikel 17 AVG opgenomen ‘recht op vergetelheid’ heeft een andere reikwijdte (met andere uitzonderingen) dan het in dit arrest afgeleide recht. Zwenne 2019, p. 612; Wolters 2020, p. 58-59.
HvJ EU 13 mei 2014, C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317 (Google Spain/Costeja), punt 58; HvJ EU 29 juli 2019, C-40/17, ECLI:EU:C:2019:629 (Fashion ID/Verbraucherzentrale), punt 50.
Van der Sloot 2016, p. 350, 354-356.
Vergelijk ook HvJ EU 6 oktober 2015, C-362/14, ECLI:EU:C:2015:650 (Schrems/DPC Ireland); HvJ EU 8 april 2014, gevoegde zaken C‑293/12 en C‑594/12, ECLI:EU:C:2014:238 (Digital Rights Ireland).
De rechtspraak van het Hof van Justitie is bepalend voor de uitleg van het gegevensbeschermingsrecht. Het heeft inmiddels enkele toonaangevende arresten gewezen.
Het Hof van Justitie oordeelde allereerst dat het begrip ‘verwerkingsverantwoordelijke’ ruim moet worden uitgelegd. Op deze manier kan een ‘doeltreffende en volledige bescherming’ aan de betrokkene worden verzekerd.1 Ook overwoog het Hof van Justitie dat aan het begrip ‘persoonsgegevens’ een ruime betekenis moet worden gegeven2 en dat een standaard aangevinkt selectievakje geen toestemming constitueert in de zin van artikel 6 lid 1 sub a AVG.3 Voorts erkende het ‘een recht om vergeten te worden’, terwijl dit recht niet expliciet in de Dataprotectierichtlijn stond.4
Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het gegevensbeschermingsrecht de betrokkene beoogt ‘een doeltreffende en volledige bescherming van zijn fundamentele vrijheden en rechten’ te verzekeren.5 Begrippen worden daardoor ruim (‘persoonsgegevens’, ‘verwerkingsverantwoordelijke’ of ‘het recht om vergeten te worden’) óf juist strikt (‘toestemming’) uitgelegd. In zijn rechtspraak geeft het Hof van Justitie er aldus blijk van dat het, net als de Uniewetgever,6 een hoog beschermingsniveau voor de betrokkene nastreeft, en neemt het een progressieve, haast activistische houding7 aan ten aanzien van het recht op de bescherming van persoonsgegevens.8 Het is aannemelijk dat het Hof van Justitie eenzelfde ruimhartige benadering zal volgen ten aanzien van de interpretatie van de vergoedbare schade. Die gedachte wordt gesterkt doordat de Uniewetgever in overweging 146 AVG de opdracht geeft om schade ruim uit te leggen.