Einde inhoudsopgave
Schadevergoeding bij de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (O&R nr. 126) 2021/6.2.2.1
6.2.2.1 Ten aanzien van immateriële schade
mr. T.F. Walree, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. T.F. Walree
- JCDI
JCDI:ADS267443:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Verwerking persoonsgegevens
Voetnoten
Voetnoten
D. Leczykiewicz 2010, p. 259; Heinze 2019, p. 200-206.
Vergelijk GvEA EG 21 maart 1996, T-230/94, ECLI:EU:T:1996:40 (Farrugia/Commissie), punt 42-46; GvEA EG 28 januari 1999, T-230/95, ECLI:EU:T:1999:11 (BAI/Commissie), punt 38; HvJ EU 6 november 2012, C-199/11, ECLI:EU:C:2012:684 (Otis e.a.), punt 65.
GvEA EG 28 januari 1999, T-230/95, ECLI:EU:T:1999:11 (BAI/Commissie), punt 38; HvJ EG 9 november 2006, C-243/05 P, ECLI:EU:C:2006:708 (Agraz e.a./Commissie), punt 27; HvJ EG 21 februari 2008, C-348/06 P, ECLI:EU:C:2008:107 (Commissie/Girardot), punt 54; Gerecht EU 10 januari 2017, T-577/14, ECLI:EU:T:2017:1 (Gascogne/Europese Unie), punt 145; HvJ EU 4 april 2017, C-337/15 P, ECLI:EU:C:2017:256 (Europese Ombudsman/Staelen), punt 91, 127-129.
HvJ EG 29 januari 1985, 147/83, ECLI:EU:C:1985:26 (Münchener Import/Commissie), punt 20; GvEA EG 11 juli 1997, T-267/94, ECLI:EU:T:1997:113 (Oleifici Italiani/Commissie), punt 73; GvEA EG 29 oktober 1998, T-13/96, ECLI:EU:T:1998:254 (TEAM/Commissie), punt 76. Zie uitgebreid over schade Vaquer 2008, p. 27-28; Van Dam 2013, p. 359-360.
Vergelijk Gerecht EU 16 december 2015, T-138/14, ECLI:EU:T:2015:981 (Chart/EDEO), punt 149-155; HvJ EU 4 april 2017, C-337/15 P, ECLI:EU:C:2017:256, punt 129 (Europese Ombudsman/Staelen). Zie ook Havu 2019, p. 492-514.
HvJ EG 12 maart 2002, C-168/00, ECLI:EU:C:2002:163 (Leitner), punt 22.
HvJ EG 7 maart 1995, C-68/93, ECLI:EU:C:1995:61 (Shevill/Presse Alliance), punt 23; GvEA EG 12 september 2007, T-259/03, ECLI:EU:T:2007:254, punt 329-30 (Nikolaou/Commissie), punt 329-330; HvJ EU 28 mei 2013, C-239/12 P, ECLI:EU:C:2013:331 (Abdulrahim/Raad en Commissie), punt 83; HvJ EU 30 mei 2017, C-45/15 P, ECLI:EU:C:2017:402 (Safa Nicu Sepahan/Raad van de Europese Unie), punt 48-49.
Gerecht EU 10 januari 2017, T-577/14 ECLI:EU:T:2017:1 (Gascogne/Europese Unie), punt 149, 157-158.
HvJ EG 14 mei 1998, C-259/96 P, ECLI:EU:C:1998:224 (Raad van de Europese Unie/De Nil), punt 25-27; HvJ EU 3 september 2013, C-34/12 P, ECLI:EU:C:2013:552 (Idromacchine/Europese Commissie), punt 97; Gerecht EU 3 december 2015, T-343/15, ECLI:EU:T:2015:926 (CN/EDPS), punt 121; Gerecht EU 1 februari 2017, T-479/14, ECLI:EU:T:2017:48 (Kendrion/Europese Unie), punt 122-125. Vergelijk Concl. A-G N. Wahl 26 oktober 2016, ECLI:EU:C:2016:823 (Europese Ombudsman/Staelen), punt 108, 109 en 114.
HvJ EG 6 februari 1986, gevoegde zaken 173/82, 157/83 en 186/84, ECLI:EU:C:1986:54 (Castille/Commissie), punt 35-37; GvEA EG 17 december 1998, T-203/96, ECLI:EU:T:1998:302 (Embassy/Europees Parlement), punt 108; GvEA EG 28 januari 1999, T-230/95, ECLI:EU:T:1999:11 (BAI/Commissie), punt 39; HvJ EG 16 juli 2009, C-481/07 P, ECLI:EU:C:2009:461 (SELEX Sistemi Integrati/Commissie), punt 38; Gerecht EU 10 januari 2017, T-577/14, ECLI:EU:T:2017:1 (Gascogne/Europese Unie), punt 151.
HvJ EG 6 februari 1986, gevoegde zaken 173/82, 157/83 en 186/84, ECLI:EU:C:1986:54 (Castille/Commissie), punt 37. Zie ook Vaquer 2008, p. 29.
Leczykiewicz 2010, p. 282. Vergelijk Heinze 2019, p. 219.
HvJ EU 14 februari 2012, C-204/09, ECLI:EU:C:2012:71 (Flachglas Torgau/Duitsland), punt 37; HvJ EU 19 december 2013, C-279/12, ECLI:EU:C:2013:853 (Fish Legal/Information Commissioner), punt 42. Vergelijk ook HvJ EG 12 maart 2002, C-168/00, ECLI:EU:C:2002:163 (Leitner); Walree 2017, p. 929.
HvJ EG 12 maart 2002, C-168/00, ECLI:EU:C:2002:163 (Leitner), punt 22. Vergelijk Court of Appeal 2 oktober 2019, [2019] EWCA Civ 1599 (Lloyd/Google), punt 46, 56.
GvA EU 15 januari 2019, T-881/16, ECLI:EU:T:2019:5 (HJ/EMA), punt 57. Die schadevergoeding bedroeg uiteindelijk slechts één symbolische euro. Vergelijk EHRM 17 juli 2008, nr. 20511/03, ECLI:CE:ECHR:2008:0717JUD002051103 (I./Finland).
Het Unierecht kent geen algemeen aansprakelijkheidsregime voor private partijen.1 Wel is er rechtspraak van het Hof van Justitie over de vergoedbaarheid van immateriële schade en over de mate waarin de benadeelde deze moet concretiseren. Hieruit volgt dat een enkele normschending niet genoeg is2 en dat immateriële schade reëel en zeker geleden moet zijn.3 Louter theoretische schade komt dus niet voor vergoeding in aanmerking.4
Verder volgt uit de rechtspraak dat immateriële schade niet alleen psychische schade omvat.5 Ook gederfd vakantiegenot6 en reputatieschade7 kunnen daaronder vallen. Ook kunnen ‘gevoelens van onrust en onbehagen’ of de ‘verlengde staat van onzekerheid’ wegens het schenden van een redelijke procestermijn vallen onder het begrip ‘immateriële schade’.8
Uit de rechtspraak blijkt dat het stellen van immateriële schade zonder enig bewijs in beginsel onvoldoende is.9 Desalniettemin laat de rechtspraak ook zien dat het voldoende kan zijn dat de eiser aantoont dat het onrechtmatige handelen zo ernstig was dat dit als zodanig immateriële schade kon veroorzaken.10 Dit is echter een uitzondering die alleen onder bijzondere omstandigheden geldt.11 In beginsel is dus reële en zeker geleden immateriële schade vereist.
Een Unierechtelijke bepaling die niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, zoals artikel 82 AVG, kan door een rechter ook autonoom worden geïnterpreteerd.12 Dit betekent dat hij deze bepaling uitlegt aan de hand van de context van de bepaling en het doel van de regeling waarvan de bepaling deel uitmaakt.13 Een autonome en contextafhankelijke uitleg van schade in de zin van artikel 82 AVG zou zich dan kunnen toespitsen op de overwegend immateriële en abstracte aard van de gevolgen van een gegevensverwerking en zou in ogenschouw kunnen nemen wat voor de betrokkene van belang is,14 zoals controle over zijn persoonsgegevens en handhaving van de regels aangaande de verwerking van zijn persoonsgegevens (zie paragraaf 2.3).15 Een contextafhankelijke uitleg kan dus met zich brengen dat de betrokkene ook een recht op schadevergoeding heeft zonder dat hij concrete gevolgen hoeft aan te tonen. Een interessant arrest in dit verband is HJ/EMA. In deze zaak was het persoonsdossier van een werknemer van het Europees Geneesmiddelenbureau toegankelijk voor collega’s. Het feit dat zij toegang hadden tot haar dossier, met de daaruit voortvloeiende mogelijkheid dat zij daarin hadden gekeken, was voldoende voor het Gerecht om immateriële schade aan te nemen. De betrokkene hoefde dus niet aan te tonen dat collega’s daadwerkelijk in haar dossier hadden gekeken.16