Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.5.4.1
III.5.4.1 Inleiding
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460369:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik ga ervan uit dat de drijver tot wie milieunormen uit algemene regels gericht zijn, en de drijver tot wie vergunningsverplichtingen gericht zijn, dezelfde is, en dat in de Wabo geen andere invulling aan het begrip gegeven wordt dan onder de Wm. Ik zal daarom voor het drijversbegrip zowel recente als oudere jurisprudentie betrekken van algemene regels en vergunningsvoorschriften.
Ik noem enkele voorbeelden. Vermeer, Visser & Sibma 2016, par. 2.4.6.2 menen dat de drijver een ‘bijzondere overtreder’ is, in plaats van een type normadressaat. Borman, in: T&C Algemene wet bestuursrecht, Commentaar op art. 5:1 Awb, rekent de drijver onder (functioneel) daderschap. Mellenbergh 2011, par. 2.1 schrijft ten onrechte dat “de overtreder diegene [is] die het te handhaven voorschrift daadwerkelijk heeft geschonden (de normadressaat)”. Ook zijn er verschillende auteurs die drijverschap uitleggen als een mogelijke vorm van kwalitatieve aansprakelijkheid. Zie bijvoorbeeld De Valk 2009, p. 498 “Als de voorwaarden van de vergunning worden overtreden, is de drijver als overtreder aan te merken. De normadressaat is met andere woorden overtreder” en op p. 501 “Indien schending van de vergunningsvoorschriften heeft plaatsgevonden, is de drijver daarvoor aansprakelijk. Er hoeven daartoe geen overtredingen van anderen te worden toegerekend”; net zo: Kortmann 2017, par. 2.4: “Zo is de drijver in beginsel verantwoordelijk voor alle overtredingen van de voor de inrichting geldende regels, ongeacht door wie deze fysiek worden gepleegd”. Vergelijkbaar: Van Leeuwen & Vermeer 2014, p. 278, ‘Degene die de feitelijke zeggenschap heeft, is drijver van een inrichting en dus overtreder in de zin van de Wm’. Ook in Wingens 2017, par. 2 lopen drijverschap en overtrederschap en nog een aantal leerstukken uit het bestuursrechtelijke handhavingsrecht door elkaar heen. Enkele voorbeelden van jurisprudentie waarin drijver en overtreder gelijkgeschakeld (lijken te) worden: ABRvS 29 mei 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE3309, r.o.. 2.3.2; ABRvS 30 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3051; ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3550 (Brand Zaltbommel).
Uit het voorgaande volgt dat inrichtinggerelateerde milieunormen, dus zowel vergunningsvoorschriften als algemene regels, zijn gericht tot de drijver van de inrichting.1 Op de drijver rust de wettelijke plicht om deze verplichtingen na te leven. Wie is deze illustere drijver? In de literatuur en jurisprudentie bestaan hierover nog de nodige misverstanden.2
Hierna ga ik in paragraaf III.5.4.2 eerst in op de toets die in de rechtspraak en literatuur ontwikkeld is voor drijverschap: de zeggenschapstoets. Ik sta stil bij de vraag welk soort zeggenschap nodig is voor drijverschap, en hoeveel zeggenschap voldoende is. Het is ook belangrijk om te begrijpen waar de zeggenschap niet op moet zien, daarom ga ik ook in op het onderscheid tussen de zeggenschapstoets, beschikkingsmacht en het machtscriterium. Bij het bespreken van de zeggenschapstoets sta ik ook stil bij de vraag of natuurlijke personen met een leidinggevende functie een inrichting kunnen drijven. Het antwoord op die vraag is bevestigend.
In paragraaf III.5.4.3 ga ik vervolgens in op normadressaatschap in situaties waarin een inrichting meerdere drijvers heeft. Ik bespreek het onderscheid tussen horizontaal en verticaal drijverschap, en tussen mededrijverschap en deeldrijverschap. Ten slotte leg ik uit wanneer iemand kan worden aangemerkt als deeldrijver, en hoe de verantwoordelijkheidsverdeling tussen deeldrijvers geregeld is.
Voordat ik in paragraaf III.5.4.5 een korte samenvatting geef van de drijverschapstoets, sta ik in paragraaf III.5.4.4 nog stil bij de relevantie van een doordachte en goed afgebakende adressering van inrichtinggerelateerde normen.