Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/3.2.8.7
3.2.8.7 Verdergaande aansprakelijkheid van de Staat
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652198:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Solinge 2003, p. 5; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/775. Van Solinge, p. 527 in zijn annotatie bij HR 4 oktober 2002, Ondernemingsrecht 2002/60 (Zwagerman) schrijft dat die aansprakelijkheid van de Staat bestaat ‘Als de onderzoeker in enquête slecht werk aflevert (wanprestatie)’, zonder dit nader toe te lichten. Zie ook Holtzer 2002, p. 37.
Blanco Fernández, Holtzer & Van Solinge 2004, p. 25-26. Anders nog Holtzer 2002, p. 37.
Van Solinge 2003, p. 5.
HR 28 juni 2002 (r.o. 4.3), NJ 2002/577, m.nt. T. Koopmans (Van de Bunt/Salomonson).
HR 28 juni 2002 (r.o. 4.5), NJ 2002/577, m.nt. T. Koopmans (Van de Bunt/Salomonson).
Holtzer 2003, p. 263-264.
Den Boogert 2010, p. 201. Zie ook Bartman & Holtzer 2010, p. 84.
Hermans 2003, p. 152.
Timmerman & Thierry 2004, p. 220.
Geerts 2004, p. 184-185.
De Groot 2006, p. 42. Hermans 2006, p. 44 noemt dit ‘erg Amerikaans gedacht.’ Volgens hem is de doorsnee deskundige een professional, die gewoon goed werk wil afleveren. Peer pressure zou een professional reeds voldoende prikkels leveren; een deskundige die geen goed werk aflevert zal bovendien niet snel opnieuw worden benoemd. Hermans gelooft niet dat deskundigen hun onderzoek zorgvuldiger gaan uitvoeren als zij voor eventuele fouten aansprakelijk zijn. Kritisch hierover zijn ook De Jongh & Schild 2010, p. 68. Vgl. verder Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 35.
De Groot 2006, p. 42.
De onderzoeker is volgens art. 2:351 lid 5 BW enkel aansprakelijk bij opzettelijk onbehoorlijk of bewust roekeloos handelen (par. 3.2.3.2.2). Onder bijzondere omstandigheden past hiernaast Staatsaansprakelijkheid (par. 3.2.6). Van Solinge en Nieuwe Weme lijken een ruimere aansprakelijkheid van de Staat te verdedigen: ‘Wij menen dat een onderzoeker, afgezien van gevallen van opzet en bewuste roekeloosheid, niet aansprakelijk kan worden gehouden. Als ‘verlengstuk’ van de OK kan uitsluitend de staat voor zijn fouten aansprakelijk zijn.’1 Vermoedelijk zien Van Solinge en Nieuwe Weme de onderzoeker als instrument van de Ondernemingskamer, onderworpen aan diens opdracht, aanwijzingen en toezicht, en daarmee onderdeel van de Staat (par. 3.2.2.2).2 Van Solinge heeft ook gewezen op het gevaar dat onderzoekers ‘angsthazen’ worden zonder deze ruime aansprakelijkheid van de Staat. Daarnaast zou zijn te vrezen voor de onafhankelijke conclusies in het onderzoeksverslag.3
Holtzer verdedigt een vergelijkbare verruiming van aansprakelijkheid voor de Staat. In Van de Bunt/Salomonson oordeelde de Hoge Raad dat de deskundige die handelt in opdracht van een parlementaire onderzoekscommissie geen beroep op afgeleide immuniteit kan doen.4 Volgens Holtzer mag hieruit niet worden afgeleid dat de onderzoeker evenmin een van de Ondernemingskamer afgeleide immuniteit geniet. Dit omdat de onderzoeker – anders dan de deskundige in Van de Bunt/Salomonson5 – de keuze tussen al dan niet handelen in eigen naam niet heeft. Bovendien bestaat geen goede reden voor een extra aansprakelijkheidsprikkel voor de onderzoeker, nu de onderzoeker al door de Ondernemingskamer wordt gecontroleerd. Van de Bunt/Salomonson moet volgens Holtzer bovendien worden begrepen in een specifiek staatsrechtelijke context. De onderzoeker moet hierom een van de Ondernemingskamer afgeleide immuniteit genieten.6
Deze voorstellen lijken aan te sluiten bij art. 42 lid 1 Wrra, waarin is bepaald dat voor schade die een rechterlijk ambtenaar bij de vervulling van zijn ambt aan een derde toebrengt en waarvoor hij zelf krachtens de wet aansprakelijk zou zijn, jegens de derde uitsluitend de Staat aansprakelijk is. Met Den Boogert zie ik naar huidig recht geen grondslag voor deze verruimde aansprakelijkheid van de Staat. De onderzoeker wordt niet genoemd in art. 66 lid 2 Wet RO, en een wettelijk voorschrift dat de regel bevat dat de persoon van wie een rechterlijke instantie zich bedient mede de bescherming van immuniteit geniet, ontbreekt. Dat de onderzoeker in zekere zin een verlengstuk van de Ondernemingskamer vormt, is onvoldoende om verdergaande Staatsaansprakelijkheid te kunnen aannemen.7 Aansprakelijkheid van de Staat voor door de onderzoeker gemaakte fouten anders dan als bedoeld in par. 3.2.6 acht ik niet mogelijk. Daarvoor ontbreekt een wettelijke grondslag.
In de literatuur is voorafgaand aan de introductie van art. 2:351 lid 5 BW (par. 3.2.3.2.2) de invoering bepleit van een wettelijke regeling waarin enkel de Staat aansprakelijk is voor door de onderzoeker als gevolg van de uitvoering van zijn opdracht veroorzaakte schade. Volgens Hermans voorkomt dit dat de onderzoeker zich genoodzaakt voelt partijen te vragen hen te vrijwaren (par. 3.2.8.5) en exonereren (par. 3.2.8.3), of dat zij zich specifiek moeten verzekeren (par. 3.2.8.6).8 Timmerman en Thierry noemen nog een ander argument: volgens hen worden onderzoekers niet rijk van de uitvoering van een onderzoek in de enquêteprocedure en lijkt het niet redelijk hen aansprakelijkheidsrisico’s te laten lopen.9 Geerts noemt ook het risico dat niemand of althans veel minder personen bereid zullen zijn als onderzoeker werkzaam te zijn.10
De Groot voert hiertegen aan dat aansprakelijkheid van de Staat een oplossing is waarvan de onderzoeker, anders dan gebruikelijk in het aansprakelijkheidsrecht, geen prikkel ondervindt om goed werk te leveren.11 Bovendien kan een dergelijke regeling omvangrijke financiële gevolgen met zich brengen. Volgens De Groot is wenselijk dat nader wordt onderzocht of een genuanceerde risicoverdeling mogelijk is, die aan alle bij de enquêteprocedure betrokken partijen passende prikkels geeft om goed werk te leveren en die het mogelijk maakt in een individueel geval risico’s rechtvaardig toe te delen, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval. Volgens De Groot is een rechtvaardiging in het publieke domein nodig om een geschil dat bij uitstek tot het private domein van procespartijen behoort te vertalen in publiekrechtelijke aansprakelijkheid van de Staat naast de publiekrechtelijke inspanningsverplichting van de Staat om deugdelijke rechtspraak te bieden.12
Met de introductie van art. 2:351 lid 5 BW lijkt een evenwichtige aansprakelijkheidspositie voor de onderzoeker gevonden: de onderzoeker is in beginsel niet aansprakelijk, tenzij hij opzettelijk of bewust roekeloos handelt. Onder bijzondere omstandigheden past hiernaast aansprakelijkheid voor de Staat (par. 3.2.6). Ik zie geen rechtvaardiging voor de introductie van een verdergaande Staatsaansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen van de onderzoeker.