Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/6.2.1
6.2.1 De negentiende eeuw: klassiek liberalisme
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248588:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ten tijde van de Republiek mochten afgevaardigden van de provincies niet buiten hun mandaat opereren en moesten zij terug voor overleg met hun achterban als ze daarbuiten dreigden te treden (ruggespraak).
Met ‘de vergadering, door welke zij benoemd zijn’ werden de Provinciale Staten bedoeld. Voordat in 1848 de Tweede Kamer rechtstreeks werd gekozen, werden de leden namelijk door deze organen benoemd.
Kleijkers 1993, p. 16.
Kleijkers 1993, p. 22; Heringa e.a. 2018, p. 183.
Vgl. Buys 1883, p. 382-385; Kummeling en Bovend’Eert 2010, p. 6-7.
Kleijkers 1993, p. 266.
Thorbecke 1841, p. 206 en 235.
Het kiesrecht werd gekoppeld aan een census om te verzekeren dat alleen personen die geacht werden goede keuzes te kunnen maken de Tweede Kamer zouden samenstellen, niet om van kiesgerechtigden een afspiegeling te vormen.
Boogaard 2018, p. 242.
Vgl. Elzinga 1982, p. 93-94; Van den Berg en Boogaard 2018, p. 45.
Zowel de vertegenwoordigingsbepaling voor de Staten-Generaal als het lastverbod voor Kamerleden zijn al in de eerste Grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden uit 1814 terug te vinden. Gezien de context van die periode is dat ook zeker geen toeval. In Nederland was namelijk na de Franse bezetting net de eenheidsstaat uitgeroepen. Het lastverbod in het bijzonder moest voorkomen dat de provincies in deze eenheidsstaat opnieuw een dominante positie in het landsbestuur zouden gaan innemen, zoals zij gedaan hadden in de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Dat zou de eenheid bedreigen en leiden tot stroperige besluitvorming.1 De tekst van het lastverbod werd samen met de eed voor Kamerleden opgenomen in artikel 62 Grondwet 1814 en luidde: ‘Alle leden der Staten Generaal stemmen voor zich zelven en zonder last van of ruggespraak met de vergadering, door welke zij benoemd zijn. Bij het aanvaarden hunner functiën doen zij, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den navolgenden eed: "Ik zweer, (belove) dat ik eerst en boven al de grondwet der Vereenigde Nederlanden zal onderhouden en handhaven; dat ik wijders de onafhankelijkheid van den Staat, de vrijheid en de welvaart van deszelfs Ingezetenen, met alle mijne krachten, bevorderen zal, zonder aanzien van provinciale of van eenige andere dan algemeene belangen. Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig” [cursief JW].’2 Uit deze bepaling blijkt dat het lastverbod niet alleen te veel invloed van provinciale en andere belangen moest tegengaan, maar dat het ook moest garanderen dat volksvertegenwoordigers het algemeen belang behartigden.3 Het lastverbod werd daarbij gekoppeld aan de vertegenwoordigingsbepaling uit het toenmalige artikel 52 Grondwet 1814: ‘De Staten-Generaal vertegenwoordigen het geheele Nederlandsche volk.’ De taak om het algemeen belang te behartigen die hieruit volgde, konden volksvertegenwoordigers alleen adequaat verrichtten als zij niet afhankelijk waren van anderen.4 Bij afhankelijkheid zouden zij namelijk optreden namens deelbelangen of subgroepen en dat was nu juist niet de bedoeling.
De vertegenwoordigingsbepaling en het lastverbod gaven in eerste instantie uitdrukking aan de vestiging van de eenheidsstaat en legden de plicht op om algemene in plaats van provinciale belangen te behartigen.5 Beide bepalingen bleven gehandhaafd in de Grondwet van 1848, respectievelijk in artikel 74 en artikel 82, maar doordat inmiddels de historische context was gewijzigd, had ook de betekenis van de artikelen een verandering ondergaan. De belangrijkste wijziging die de Grondwet van 1848 aanbracht was dat de leden van de Tweede Kamer voortaan rechtstreeks gekozen werden door het kiesgerechtigde deel van de bevolking. Volgens Kleijkers betekende dit dat de vertegenwoordigingsbepaling de grondslag van de Staten-Generaal ging aangeven, die volgens hem lag in het vormen van een afspiegeling van de (kiesgerechtigde) bevolking.6 Deze conclusie kan ik niet onderschrijven. Voor Thorbecke, de belangrijkste architect van de Grondwet van 1848, moest de Staten-Generaal geen afspiegeling van de bevolking vormen maar juist een verzameling van de meest competente individuen die samen en afzonderlijk het algemeen belang behartigden.7 Überhaupt het feit dat er sprake was van censuskiesrecht doet twijfelen aan de juistheid van de conclusie van Kleijkers.8 Daarnaast werd er geen kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging geïntroduceerd, maar een districtenstelsel. Hoogstens kan dan gesproken worden van een geografische afspiegeling. Waar artikel 74 Grondwet 1848 wel uitdrukking aan gaf, was het idee dat de Tweede Kamer moest bestaan uit de meest competente individuen die geacht werden het algemeen belang te behartigen in plaats van deelbelangen.9 Het lastverbod kreeg met de veranderde samenstellingswijze van de Tweede Kamer in 1848 ook een nieuwe lading. Aangezien Tweede Kamerleden nu rechtstreeks werden verkozen, diende het vooral als waarborg tegen te veel bemoeienis van kiezers. Nog steeds werd onafhankelijkheid van volksvertegenwoordigers gezien als voorwaarde om hen het algemeen belang te kunnen laten behartigen. Thorbecke meende echter dat onafhankelijkheid om een aanvullende reden van belang was. Voor hem moest het parlement een plaats van deliberatie zijn waar redelijk denkende personen argumenten uitwisselden en waarbij uiteindelijk het sterkste argument boven zou komen drijven. Alleen onafhankelijke vertegenwoordigers zouden tot dit type deliberatie in staat zijn. Het lastverbod diende volgens Thorbecke dus niet alleen te garanderen dat kiezers geen onevenredige invloed konden uitoefenen, maar ook om deliberatie mogelijk te maken en daarmee betere besluitvorming.10