Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.3.2.2
4.3.2.2 De strafrechtelijke rechtsbetrekking
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946251:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Geelhoed wijst er overigens terecht op dat het vervolgingsbegrip meer complex is geworden, waardoor in specifieke situaties andere partijen namens de overheid kunnen optreden. Volgens Geelhoed is dan ook sprake van een “bijna-monopolie” van het openbaar ministerie ten aanzien van de vervolging van verdachten. Zie: Geelhoed 2013, p. 185-189.
Cleiren 1992, p. 22-23, Crijns 2010, p. 287 en 334-338 en Crijns & Kool 2017, p. 312.
Zie bijvoorbeeld Crijns 2010, p. 288-390 en 340-341 en Crijns & Kool 2017, p. 310-312. Deze zienswijze bouwt voort op het gedachtengoed van Schalken 1987, ’t Hart 1995, en Gribnau 1998.
Crijns beschrijft ook twee andere vormen van wederkerigheid: wederkerigheid als norm van menselijk handelen (waarbij het gaat om een fundamenteel uitgangspunt voor alle menselijke interactie) en wederkerigheid als afspraak, waarbij een juridische afspraak leidt tot over en weer afdwingbare afspraken. Deze drie vormen kunnen begripsmatig worden onderscheiden, maar in een concrete rechtsbetrekking kunnen meerdere vormen zich tegelijkertijd voordoen. Zie Crijns 2010, p. 249-252.
Gribnau 1998, p. 129-134.
Crijns 2010, p. 288-289 en 389.
Schalken 1987, p. 7.
Schalken 1987, p. 5-8
Schalken 1987, p. 10.
Schalken 1987, p. 13.
Schalken 1987, p. 13 en Hirsch Ballin 1986, p. 19.
Crijns 2010, p. 286.
Binnen het strafrecht zijn verschillende rechtsbetrekkingen te onderscheiden, maar de relatie tussen de overheid – vertegenwoordigd door het openbaar ministerie1 – en de verdachte staat centraal. Het is die rechtsbetrekking die invulling geeft aan een belangrijk doel van het publiekrechtelijke strafrecht dat is gelegen in het ordentelijk – met inachtneming van proportionaliteit en subsidiariteit – ter verantwoording roepen en bestraffen van daders van strafbare feiten. In het kader van die rechtsbetrekking verzamelt het openbaar ministerie ook bewijzen van (on)schuld van de verdachte, zodat de juiste persoon ter verantwoording kan worden geroepen. De bespreking van de strafrechtelijke rechtsbetrekking in de navolgende paragraaf is dan ook hoofdzakelijk geënt op de relatie tussen het openbaar ministerie en de verdachte.
Er is sprake van een verticale verhouding tussen het openbaar ministerie en de verdachte, nu het geweldsmonopolie en het opportuniteitsbeginsel met zich brengen dat het in beginsel aan het openbaar ministerie is om al dan niet te vervolgen. Deze rechtsbetrekking wordt gekenschetst als principieel asymmetrisch, omdat het openbaar ministerie veel meer mogelijkheden heeft om invulling te geven aan de rechtsbetrekking tussen beide partijen.2 Zo kan een verdachte burger onvrijwillig in een strafproces worden betrokken en duurt de ongelijkwaardige positie van de verdachte ook tijdens het strafproces voort.
Het asymmetrische karakter laat onverlet dat de rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en de verdachte in de literatuur is getypeerd als wederkerig.3 Deze wederkerigheid impliceert geen gelijkwaardigheid binnen de rechtsbetrekking. Het gaat om wederkerigheid als imperatief. Dit betreft de eis om als rechtssubjecten over en weer rekening te houden met elkaars positie en belangen.4 Gribnau bezigt in dit verband – in bestuursrechtelijke context – de term correlativiteit, inhoudende dat aan een recht of bevoegdheid de plicht is gekoppeld om daarvan op behoorlijke wijze gebruik te maken met inachtneming van de belangen van de ander.5 In de visie van Gribnau neemt de zorgplicht voor een van beide rechtssubjecten toe naarmate de rechtsbetrekking meer asymmetrisch van aard is en het rechtssubject machtiger wordt ten aanzien van het rechtssubject tot wie het in rechtsbetrekking staat. Voortbordurend op die gedachtegang stelt Crijns dat dit – in een strafrechtelijke context – met zich brengt dat het openbaar ministerie is gehouden aan meer concrete, ongeschreven verplichtingen al naar gelang het machtiger is ten opzichte van rechtssubjecten tot wie het in rechtsbetrekking staat. Dit uit zich in het strafrecht bijvoorbeeld via beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging en het vereiste dat het openbaar ministerie magistratelijk dient te handelen. Crijns meent dat aan de andere kant ook van de verdachte als rechtssubject een en ander kan worden verwacht op basis van de idee van wederkerigheid als imperatief. Onder verwijzing naar de rechtspraktijk stelt hij vast dat het dan met name gaat om het voorschrijven van een actieve proceshouding aan de verdediging. Crijns stelt daarnaast vast dat het legaliteitsbeginsel met zich brengt dat nagenoeg geen ruimte bestaat de verdachte ongeschreven verplichtingen op te leggen.6
Op basis van het voorgaande is de rechtsbetrekking tussen openbaar ministerie en verdachte te karakteriseren als een verticale, asymmetrische en wederkerige rechtsbetrekking, waarbij de overheid zich rekenschap dient te geven van de belangen van het rechtssubject ten overstaan van wie zij handelt. Het gedachtegoed van Schalken sluit hierop nauw aan. Schalken beschrijft het strafrecht als “een methode tot ordening van publiekrechtelijke rechtsbetrekkingen met behulp van bijzondere, soms exclusief aan het strafrecht toevertrouwde instrumenten”.7 Hij zet uiteen dat in het strafrecht de overheid als rechtssubject in rechtsbetrekking staat tot een bepaald of onbepaald aantal burgers als rechtssubject, waarbij de rechten van de ene partij corresponderen met de plichten van de wederpartij(en). De aan een rechtssubject toebedeelde rechten hebben in deze visie slechts betekenis binnen de rechtsbetrekking(en) waarbinnen die rechten ten overstaan van één of meerdere andere rechtssubjecten verwezenlijkt kunnen worden. Volgens Schalken is geen sprake van een tegenstelling waarbij normhandhaving een publiek belang (van de overheid) is en rechtsbescherming een individueel belang (van burgers) betreft. Zijns inziens ligt in de verantwoordelijkheid van de overheid voor rechtshandhaving besloten dat zij niet alleen zorgdraagt voor adequate normhandhaving, maar dat zij tevens verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de rechtspleging. Dit betekent dat de overheid ook verantwoordelijkheid draagt voor rechtsbescherming van individuele burgers. De overheid dient steeds een balans te vinden bij het behartigen van die belangen. Dit maakt volgens Schalken dat het openbaar ministerie niet vrijelijk kan handelen binnen de discretionaire bevoegdheden die de wet biedt. Het openbaar ministerie dient binnen de grenzen van de rechtsbetrekking(en) waaraan het deelneemt – bij de gratie waarvan de discretionaire bevoegdheden bestaan – tevens rekening te houden met de belangen waarop de daarbij betrokken burgers als rechtssubjecten aanspraak maken.8 Binnen de strafrechtelijke rechtsbetrekking zijn volgens Schalken dus steeds de belangen van normhandhaving en rechtsbescherming verenigd. Dit onderstreept volgens Schalken het publiekrechtelijke karakter van de strafrechtelijke rechtsbetrekking.9
Schalken differentieert binnen het strafrecht tussen een materiële en procesrechtelijke rechtsbetrekking. De materiële rechtsbetrekking krijgt daarbij invulling door de strafbepalingen die voorzien in concrete normstellingen waaraan rechtssubjecten over en weer toe zijn gehouden in de samenleving. Het gaat daarbij dus niet slechts om de rechtsbetrekking tussen de te bestraffen dader en de overheid. Zo kan het slachtoffer van een strafbaar feit aan het bestaan van de strafbepaling de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat de overheid handhavend zal optreden. Ook andere (in)direct betrokkenen en de samenleving als geheel zijn gebaat bij normhandhavend optreden. Ten aanzien van die (onbepaalde) rechtssubjecten bestaat dus evenzeer een verplichting voor de overheid. Anderzijds brengt de normstelling met zich dat rechtssubjecten geen onrechtmatige inbreuk op hun rechten en vrijheden hoeven te dulden, zolang zij de gestelde normen naleven. Volgens Schalken moet bij de rechtsbeschermende taak die aan de overheid is toebedeeld dan ook worden onderscheiden tussen rechtsbescherming door normhandhaving en rechtsbescherming tegen normhandhaving.
In het geval dat een in een strafbepaling verankerde norm is geschonden en dientengevolge materieelrechtelijke rechtsbetrekkingen zijn verstoord, biedt het strafproces gelegenheid dit te sanctioneren. Schalken beschrijft dat zodra sprake is van (een verdenking van) een strafbaar feit “een geheel eigen systeem van rechtsbetrekkingen ontstaat dat de procesrechtelijke verhoudingen regelt tussen al diegenen, die bij de opheldering van het strafbare feit en de reactie daarop ieder hun specifieke rol vervullen”.10 Schalken stelt – onder verwijzing naar Hirsch Ballin – dat de bevoegdheidsuitoefening in die fase plaatsvindt in een proces van ontwikkeling van rechtsbetrekkingen, waarbij een (nieuw) stelsel van wederzijdse rechtsposities zichtbaar wordt.11 Crijns leidt hieruit af dat – ondanks dat het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel met zich brengt dat dwangmiddelen slechts kunnen worden toegepast voor zover dat expliciet is toegestaan – ook de door Schalken beschreven procesrechtelijke rechtsbetrekkingen een dynamisch karakter niet kan worden ontzegd.12
4.3.2.2.1 De normen die van invloed zijn op de strafrechtelijke rechtsbetrekking4.3.2.2.2 De grondslag voor de strafrechtelijke rechtsbetrekking4.3.2.2.3 Conclusies ten aanzien van de strafrechtelijke rechtsbetrekking