Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/2.4.3
2.4.3 Richtlijn 93/13/EEG
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254133:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Hijma, Algemene voorwaarden (Mon. BW nr. B55) 2016/8 en Asser/Hartkamp 3-I 2019/177.
Hijma, Algemene voorwaarden (Mon. BW nr. B55) 2016/8.
Hijma, Algemene voorwaarden (Mon. BW nr. B55) 2016/8.
Hijma, Algemene voorwaarden (Mon. BW nr. B55) 2016/8 en Asser/Hartkamp 3-I 2019/181-185.
HvJ EG 27 juni 2000, NJ 2000/730 (Océano). Zie ook HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 2014/274, m.nt. H.B. Krans (Heesakkers/Voets), r.o. 3.9.1. In HR 24 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1706, NJ 2007/115, m.nt. H.J. Snijders (Meurs/Newomij) nam de Hoge Raad nog aan dat er geen verplichting tot ambtshalve toetsing bestond. Zie ook Asser/Hartkamp 3-I 2019/175.
HR 29 april 2016, ECLI:NLHR:2016:769, NJ 2018/41, m.nt. H.B. Krans (Stichting Erfpachters Belang Amsterdam c.s./Amsterdam), r.o. 5.1.4.
Zie bijv. Hondius, NTBR 1993, afl. 6, p. 109 en Jongeneel, TvC 1993, p. 118-119.
Hondius, NTBR 1993, afl. 6, p. 109.
157. Op 5 april 1993 werd de Europese richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten vastgesteld (Richtlijn 93/13/EEG). De richtlijn bepaalt dat een oneerlijk beding in een overeenkomst tussen een consument en verkoper de consument niet mag binden. Een beding is oneerlijk indien het in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (art. 3 lid 1 van de richtlijn). De bijlage bij de richtlijn bevat een indicatieve en niet uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt (blauwe lijst) (art. 3 lid 3 van de richtlijn). De richtlijn heeft een minimumkarakter (art. 8 van de richtlijn). Dat wil zeggen dat nationale wetgeving de consument ten minste de in de richtlijn vervatte bescherming moet bieden.1 De richtlijn is tot consumentenovereenkomsten beperkt, terwijl afd. 6.5.3 BW dat niet is.2 In eerste instantie werd gemeend dat de net ingevoerde afd. 6.5.3 BW niet hoefde te worden aangepast aan de richtlijn, maar na kritiek van de Europese Commissie zijn art. 6:231 sub a en art. 6:238 BW aangevuld.3
158. Een richtlijn heeft geen directe horizontale werking. Dat wil zeggen dat op een richtlijn geen rechtstreeks beroep kan worden gedaan. Nationale wetgeving dient echter richtlijnconform te worden uitgelegd.4 De bescherming van de richtlijn vereist tevens “dat de nationale rechter bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een bij de nationale gerechten ingediende vordering ambtshalve kan toetsen, of een beding in de hem voorgelegde overeenkomst oneerlijk is.”5 De rechter dient afd. 6.5.3 BW richtlijnconform te interpreteren en een beding ambtshalve te toetsen als de richtlijn op het voorliggende geval van toepassing is. Materieel gezien is de richtlijn, kort gezegd, van toepassing als sprake is van een overeenkomst tussen een consument en verkoper. Temporeel gezien is de richtlijn alleen van toepassing als de concrete algemene voorwaarde na 31 december 1994 van toepassing is geworden.6
159. De richtlijn oneerlijke bedingen is niet beperkt tot algemene voorwaarden, maar wel tot consumenten. De richtlijn ziet op oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Volgens art. 2 aanhef en sub a zijn oneerlijke bedingen de bedingen van een overeenkomst zoals die in art. 3 zijn omschreven. Het gaat blijkens art. 3 lid 1 om bedingen in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Niet vereist is dat de bedingen zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen.7 Volgens art. 2 aanhef en sub b is een consument iedere natuurlijke persoon die bij onder de richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. Volgens art. 2 aanhef en sub c is een verkoper iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder de richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit. De term verkoper moet niet te letterlijk worden opgevat. De term ‘verkoper’ in de richtlijn lijkt op een vertaalfout te berusten.8 In de Franse tekst wordt de term ‘professionnel’ gebezigd en in de Engelse versie de term ‘seller or supplier’.9 Zoals de definitie in de richtlijn ook aangeeft, gaat het uiteindelijk om een natuurlijk persoon of rechtspersoon die handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit. Het lijkt daarom beter om kort gezegd te spreken over een professionele partij.