Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/96
96 Berechting binnen een redelijke termijn: conflicterende verplichtingen
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS511367:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie (zeer) kritisch hierover, A. Briggs & P. Rees, Civil Jurisdiction and Judgments, Londen, Informa 2009, p. 96.
HvJEG 28 maart 2000, C-7/98, Jur. 2000, p. I-01935, NJ 2003, 626 m.nt. PV (Krombach/Bamberski). Zie ook HvJEU 6 september 2012, C-619/10, NJ 2013/79 m.nt. L. Strikwerda (Trade Agency).
HvJEG 28 maart 2000, C-7/98, Jur. 2000, p. I-01935, NJ 2003, 626 m.nt. PV (Krombach/Bamberski), r.o. 43.
Zie ook L. Strikwerda, ‘De invloed van het EVRM op het Europese IPR: aantekeningen bij de Krombach-uitspraak van het Hof van Justitie EG’, in: Europeanisering van het Nederlands Recht, opstellen aangeboden aan Mr W.E. Haak, Deventer: Kluwer 2004, p. 253–260.
Vgl. A. Nuyts, ‘The enforcement of jurisdiction agreements further to Gasser and the community principle of abuse of rights’, in: P. de Vareilles-Sommières, Forum shopping in the European judicial area, Oxford: Hart Publishing 2007, p. 68.
Het HvJ besteedt in zijn Gasser-uitspraak echter geen enkele aandacht aan deze overwegingen.1 Echter, vragen in verband met art. 6 EVRM kunnen wel degelijk rijzen. Bijvoorbeeld, indien de laatst aangezochte rechter verplicht is de zaak aan te houden totdat de eerst aangezochte rechter zich – na wellicht lange tijd – onbevoegd heeft verklaard, hoe verhoudt zich dat tot de verplichting van gerechten onder art. 6 lid 1 EVRM tot berechting binnen een redelijke termijn? Aangenomen dat de termijn waarbinnen de eerst aangezochte rechter zich onbevoegd verklaard inderdaad in strijd komt met art. 6 EVRM, kunnen conflicterende verplichtingen ontstaan. De unierechtelijke verplichting tot aanhouden onder art. 27 EEX-Vo en de Verdragsrechtelijke (EVRM-) verplichting tot berechting binnen een redelijke termijn botsen. In dit verband is van belang dat art. 351 VWEU bepaalt dat de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding gesloten tussen één of meer lidstaten enerzijds en één of meer derde staten anderzijds, door de bepalingen van de Verdragen niet worden aangetast. Het EVRM is een dergelijke overeenkomst en stamt uit 1950.
In andere uitspraken heeft het HvJ geoordeeld dat een inbreuk op het recht op een eerlijk proces kan meebrengen dat de erkenning van het in strijd met het recht op een eerlijk proces tot stand gekomen vonnis wordt geweigerd op grond van een schending van de openbare orde (art. 34 sub 1 EEX-Vo).2 Het HvJ heeft overwogen dat ook al heeft de EEX-Vo (in Krombach: het EEX-Verdrag) tot doel de vereenvoudiging te verzekeren van de formaliteiten waaraan de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen onderworpen zijn, dit doel niet mag worden bereikt door afbreuk te doen aan de rechten van de verdediging.3 Het HvJ heeft dus geaccepteerd dat het EVRM van invloed kan zijn op het EEX-regime.4 Het doel van eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van elkaars vonnissen mag niet in strijd met art. 6 EVRM worden bereikt. Eenzelfde redenering zou kunnen opgaan ten aanzien van het doel van de litispendentieregeling. Deze regeling heeft tot doel parallelle procedures en het daarmee samenhangende risico van onverenigbare beslissingen te vermijden. Als de redenering in het arrest Krombach hierop toegepast wordt kan gesteld worden dat deze doelen niet in strijd met art. 6 EVRM mogen worden bereikt. Meer specifiek, de litispendentieregeling moet worden toegepast met inachtneming van de van art. 6 EVRM afgeleide beginselen van een recht op effectieve toegang tot de rechter en de beslechting van geschillen binnen een redelijke termijn.5