Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.3.1.3:12.3.1.3 Bron
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.3.1.3
12.3.1.3 Bron
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Van oudsher vormt informatie over de persoon die een verklaring aflegt een belangrijk aanknopingspunt voor de waardering van de inhoud van de door die persoon afgelegde verklaring. De herkomst van informatie is nog steeds een indicatie voor de betrouwbaarheid. Van Koppen stelt dat de verankering van een getuigenverklaring in feite altijd is terug te voeren op de reputatie (in enge zin) of feiten van algemene bekendheid.1 Het punt is dat de rechter vaak maar weinig afweet van de persoon die de getuigenverklaring aflegt. In processen-verbaal wordt meestal geen of slechts in beperkte mate achtergrondinformatie geboden over de persoon van de getuige (terwijl bij de verdachte de verslaglegging van het ‘sociaal verhoor’ veelal wel deze informatie biedt). Als het waar is dat alle verankering uiteindelijk neerkomt op reputatie, is het van belang om daar enig zicht op te hebben. Over het algemeen is men voorzichtig met het bieden van informatie die afbreuk kan doen aan het beeld van de persoon van de getuige. Dat het slachtoffer al een keer eerder een valse aangifte heeft gedaan van verkrachting, wil niet zeggen dat de nieuwe aangifte niet waarheidsgetrouw is. Daarbij komt dat ook mensen die geen onkreukbaar verleden hebben door het strafrecht moeten worden beschermd. Echter, deze informatie is wel relevant voor de beoordeling van de betrouwbaarheid. Dit geldt ook voor de rol die de getuige mogelijk zelf heeft gespeeld in relatie tot de strafbare feiten en voor de relatie van de getuige tot de verdachte of tot andere getuigen.2
Het is vanzelfsprekend zo dat niet het slachtoffer terechtstaat, maar in het Nederlandse strafproces wordt – in vergelijking met Anglo-Amerikaanse stelsels – wel erg weinig aandacht besteed aan de geloofwaardigheid van de persoon die de verklaring aflegt of heeft afgelegd.3 Weliswaar wordt de geloofwaardigheid van getuigen ter terechtzitting door de verdediging regelmatig in twijfel getrokken, maar van een zelfstandig diepgravend onderzoek daarnaar is veelal geen sprake. Het past ook niet in de Nederlandse procestraditie om – in het geval de getuige wel verschijnt – op dit punt op kritische of agressieve wijze te ondervragen. Het agressief ondervragen van getuigen wordt wel gezien als een van de zwakheden van het Amerikaanse strafproces, maar in Nederland staan we helemaal aan de andere kant van het spectrum. Het is lastig om een goede beoordeling te maken van de integriteit van de beoordelende persoon als de rechter deze niet voor zich ziet. Zoals besproken in het zesde hoofdstuk kan de rechter niet zien aan de wijze waarop de getuige zich gedraagt of hij liegt, maar het horen op terechtzitting biedt wel de mogelijkheid om kritisch door te vragen en eventuele motieven van de getuige om een onware verklaring af te leggen aan het licht te brengen. Vanzelfsprekend is het voor een persoon die onvrijwillig in het strafproces wordt betrokken niet prettig om allerlei persoonlijke informatie te moeten bieden, maar in bepaalde gevallen kan de waarheidsvinding daarmee zijn gediend. Bij de bijzondere getuigen wordt in het proces-verbaal wel uitdrukkelijk stilgestaan bij de geloofwaardigheid van de verklarende persoon. Voor de bedreigde, afgeschermde en kroongetuige is in de wet een speciale regeling opgenomen, die voorschrijft dat de rechter-commissaris in zijn verslag uitdrukkelijk aandacht besteedt aan de betrouwbaarheid (artikel 226e, 226h en 226q Sv).