Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/6.5.a:6.5.a Voorzitter en verhouding onderzoek ter zitting
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/6.5.a
6.5.a Voorzitter en verhouding onderzoek ter zitting
Documentgegevens:
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS604699:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De memorie van toelichting duidt met die term afwisselend op de voorzitter van het gerechtshof, de voorzitter van de strafkamer, de voorzitter als bedoeld in artikel 412 Sv of een raadsheer in het gerechtshof, zie Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 2, 20, 22, 23, 24, 25, 40, 47 en 50.
Aldus ook Van Kempen & Pesselse 2014, p. 83.
HR 29 mei 2012, NJ 2012/353.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De verlofbeslissing wordt genomen door een enkelvoudig rechtsprekende raadsheer, door de wet aangeduid met ‘voorzitter’. De memorie van toelichting duidt met die term afwisselend op de voorzitter van het gerechtshof, de voorzitter van de strafkamer, de voorzitter als bedoeld in artikel 412 Sv of een raadsheer in het gerechtshof.1
Weliswaar bevat de wet ten aanzien van de verlofrechter niet een functiecumulatieverbod vergelijkbaar met de artikelen 21 lid 4 en 268 lid 2 Sv voor de rechter-commissaris, maar de minister merkte wel op dat “het oordeel van [de verlofrechter] dat aannemelijk is dat bij een hernieuwde beoordeling het vonnis in eerste aanleg niet in stand zal kunnen blijven onder omstandigheden, in het bijzonder ingeval het hoger beroep is ingesteld door het openbaar ministerie, […] afbreuk zal kunnen doen aan de objectieve onpartijdigheid of althans aan de minimaal vereiste schijn van onpartijdigheid”.2 Het spreekt volgens hem dan ook niet vanzelf dat de verlofvoorzitter deelneemt aan het mogelijk daaropvolgende zittingsonderzoek, maar nadere bespreking van deze kwestie vindt in de wetsgeschiedenis niet plaats. Daarmee zal het in de praktijk in voorkomende gevallen aankomen op verschoning door en wraking van de verlofvoorzitter tijdens het onderzoek ter terechtzitting.
De verlofvoorzitter moet over alle zaken die binnen de reikwijdte van het verlofstelsel vallen een beslissing nemen. Er is dus niet sprake van een systeem waarin de verlofrechter min of meer vrij bepaalde zaken kan selecteren die hem geschikt lijken voor behandeling in hoger beroep en andere zaken zonder meer terzijde kan schuiven.3 In verlofgevallen bestaat het onderzoek in hoger beroep dus duidelijk uit twee fasen: ten eerste het verlofonderzoek en eventueel daarna het onderzoek ter terechtzitting. Deze fasering betekent intussen niet dat de toegang tot het hoger beroep op grond van het zittingsonderzoek niet meer kan worden geweigerd. Ook als verlof is verleend, kan het beroep nog niet-ontvankelijk worden verklaard.4 Het afgescheiden toegangsonderzoek in het verlofstelsel absorbeert dus niet volledig de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep.