Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/3.2.1.1:3.2.1.1 Inleiding
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/3.2.1.1
3.2.1.1 Inleiding
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS618508:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Naast Ploeger hebben Marlet 1974; Arnold 1978 en Van Velten 1997 ook al eerder voorgesteld om de eigendom van leidingen wettelijk vast te leggen.
Ploeger 1997b, p. 319.
Ploeger 1997b, p. 320-321.
De Haan 2003.
De Haan 2004, p. 567.
Van Velten 2004, p. 28.
Op zich een 'open-deur' dat de eigendom van een net toebehoort aan de eigenaar ervan. Waarschijnlijk is door Van Velten de aanlegger bedoeld.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ver voordat de kabelarresten werden gewezen, waren diverse schrijvers er al van overtuigd dat ten aanzien van (de eigendom van) netten een specifieke wettelijke regeling zou moeten worden geïntroduceerd. Ploeger1 meende ten aanzien van een mogelijk wettelijk regime voor netwerken bijvoorbeeld dat een zuiver privaatrechtelijke weg zou afvallen:2
`Men zou wellicht kunnen denken aan het in artikel 5:20 BW expliciet maken van de horizontale natrekking bij leidingnetten e.d. Hiertegen bestaan bezwaren. Allereerst wordt voor de eigendom primair aangesloten bij een deels fysiek criterium: de constructie moet onderdeel zijn van het grotere geheel. Wat gebeurt er als de leiding of kabel afgesloten raakt van de rest van het netwerk? Voorts zijn eigendom en bevoegdheid niet gekoppeld. Men kan een derde de eigendom van het netwerk verschaffen door de overdracht van het kernperceel (...), maar daarmee verkrijgt hij niet de benodigde rechten om 'zijn' netwerk op alle betrokken erven te hebben.(...)'.
Zijn conclusie was dat privaatrechtelijke wegen niet voldoen aan de eisen van eenvoud en zekerheid. Daarentegen zou een niet te complexe oplossing voor het eigendomsvraagstuk te vinden zijn door aan te sluiten bij het publiekrecht, namelijk de Belemmeringenwet Privaatrecht en het daarin gehanteerde begrip 'werk'. Aan genoemde wet zou een artikel la moeten worden toegevoegd dat luidt:3
`In afwijking van artikel 5:20 van het Burgerlijk Wetboek blijft een werk in de zin van artikel 1 eigendom van degene die de bevoegdheid heeft deze werken in, op of boven eens anders onroerende zaak aan te leggen en in stand te houden. Bevindt het werk zich in, op of boven de onroerende zaak krachtens een recht van opstal, dan blijft het werk en het eigendomsrecht daarop onderworpen aan de regels van titel 8 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek.'
Vlak nadat de kabelarresten waren gewezen werd de wens voor een generieke regeling in het BW ten aanzien van de eigendom van netten weer geuit door onder meer De Haan. Hij pleitte in zijn advies over privatisering van energiedistributiebedrijven aan de Algemene Energieraad4 voor een algemene regeling in het BW omdat een regeling van de eigendom van kabels- en leidingennetwerken in verband met de privatiseringproblematiek van energiebedrijven dringend gewenst was. Zijn voorstel was om aan artikel 5:20 BW het volgende lid toe te voegen:
`Kabels en leidingen welke deel uitmaken van een netwerk waarvan het openbaar belang bij of krachtens de wet is erkend, behoren in eigendom toe aan de beheerder van dat werk, dan wel de natuurlijke of rechtspersoon die deze beheerder ingevolge de wet als zodanig heeft aangewezen.'
In een daaropvolgend artikel heeft De Haan5 zijn idee aangescherpt met de stelling dat de uitbreiding van artikel 5:20 BW met het voorgestelde tweede lid niet van toepassing zou zijn op de eigendom van tunnels omdat deze geen onderdeel zijn van een ondergronds netwerk. Naast De Haan heeft ook Van Velten6 in zijn preadvies aangegeven dat hij zich kan verenigen met het idee om artikel 5:20 BW uit te breiden met een extra lid met daarin vastgelegd dat de eigendom van een bevoegdelijk aangelegd netwerk berust bij de eigenaar7 daarvan (degene die het netwerk krachtens een bepaalde bevoegdheid realiseerde of diens rechtsopvolger).