Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/4.3.2.1
4.3.2.1 Overdracht van het vermogensrecht dat het certificaat inhoudt
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS958038:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van Steensel 2018, p. 416, voetnoot 38.
Stb. 2012, 299 en 300.
Van Steensel 2019 en Van Steensel 2018, p. 416, voetnoot 39. Zie ook De Leeuw A.E. 2020, paragraaf 7.7.3.1.
Vegter 2004, p. 117.
In gelijke zin Van der Grinten 1964, p. 45 en Biemans 2020, p. 87.
Art. 6:142 BW. Zie ook Van den Ingh 1991, p. 156.
Biemans 2011, nr. 741-744.
Art. 6:142 BW handelt over nevenrechten, maar geeft geen omschrijving van deze rechten.
Zie bijvoorbeeld Asser/Bartels en Van Mierlo 3-IV 2021, nr. 345 en Rongen 2012, nr. 963.
Booms 2019, p. 916.
Booms 2019, p. 917.
Welke rechten dat zijn is ook beschreven door Biemans. Biemans 2011, nr. 741-744.
Booms 2019, p. 916-917.
Daarnaast kan het wettelijk pandrecht van art. 3:259 BW worden genoemd, dat in de eerste categorie valt.
Uit art. 6:144 BW kan worden afgeleid dat verplichtingen die aan de vordering of aan de nevenrechten zijn verbonden kunnen overgaan op de nieuwe schuldeiser van de vordering. Biemans 2011, nr. 642-644.
Van Steensel 2019, p. 8.
Van Steensel 2019, p. 8 en 9.
Van Steensel 2019, p. 10.
In gelijke zin Biemans 2020, p. 87.
Van Steensel 2019, p. 10.
Zie over certificaten en gevolgen in het erfrecht verder paragraaf 5.5.2.
Dan moet het gaan om rechten die niet vallen onder de derde categorie van nevenrechten uit de indeling van Booms. Zie hierboven in deze paragraaf.
Dit zal mede afhangen van de afspraken die zijn gemaakt over de wijze waarop de beheerovereenkomst (de administratievoorwaarden) kunnen worden gewijzigd. Zie daarover hierna in paragraaf 5.6.2.2 en 5.6.2.3.
Bijvoorbeeld de rechten voor certificaathouders van aandelen met vergaderrechten die in Boek 2 BW zijn genoemd. Ook voor die rechten geldt dat ze mogelijk als nevenrechten kunnen worden beschouwd en vallen in de eerste en tweede categorie van de indeling van Booms.
De vraag of een certificaat, naast een vorderingsrecht, nog meer inhoudt, is onder andere van belang voor de wijze van levering van een certificaat. Voor een certificaat aan toonder wordt aangenomen dat dit certificaat kan worden geleverd door de verkrijger het bezit van het certificaat te verschaffen (art. 3:93 jo. art. 3:90 lid 1 BW).1
Is geen sprake van een certificaat aan toonder, dan wordt vrij algemeen aangenomen dat de overdracht van een certificaat kan geschieden door middel van cessie (art. 3:94 BW).2 Dat houdt in dat de levering van certificaten op naam geschiedt door middel van een tot levering bestemde akte en mededeling van de levering aan de beheerder. In de overeenkomst tussen de beheerder en de certificaathouder kunnen nadere afspraken worden opgenomen over de manier waarop certificaten geleverd moeten worden. Zo kan worden afgesproken dat de tot levering bestemde akte een notariële akte moet zijn.
Voor een bepaalde categorie van certificaten, te weten de certificaten van aandelen in een BV waaraan een vergaderrecht is verbonden, geeft de wet nog enkele voorwaarden om na de levering van de certificaten de vergaderrechten daadwerkelijk te kunnen uitoefenen. Dit betreft de erkenning of betekening van de akte van levering (art. 2:196c jo. art. 2:196a en 2:196b BW). Deze voorwaarden maakten onderdeel uit van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht3 en zijn ingevoerd ter bevordering van de rechtszekerheid.4
In de literatuur wordt zo nu en dan aan de orde gesteld in hoeverre de overdracht van certificaten moeten worden gezien als contractsoverneming in plaats van overdracht van een vordering. Dit is onder andere door Van Steensel betoogd.5 Wat verder terug in de tijd is dit ook door Vegter besproken.6 Daarbij is van belang om op te merken dat Vegter de situatie beschrijft van certificering van vermogen in het algemeen en Van Steensel zich specifiek richt op de certificering van aandelen.
Voor certificering van vermogen in het algemeen is Vegter van mening dat er in beginsel geen sprake is van contractsoverneming bij de overgang van certificaten naar een andere rechthebbende. Volgens Vegter bestaan er na overdracht van het vorderingsrecht geen verplichtingen meer voor de economisch belanghebbende ten opzichte van de beheerder. De hele rechtsverhouding gaat door de cessie over op de verkrijger.7 Dit kan zijns inziens eventueel anders zijn als er, naast de verplichting om een goed in beheer over te dragen aan de beheerder, nog andere verplichtingen voor de economisch belanghebbende bestaan. In dat geval is contractsoverneming wel de aangewezen weg om de rechtsverhouding die door de certificering is ontstaan over te dragen naar een andere economisch belanghebbende. De opvatting van Vegter impliceert dat alle onderdelen van de rechtsverhouding tussen de certificaathouder en de beheerder deel uitmaken van het vorderingsrecht. Dit betreft dan ook afspraken die bijvoorbeeld zijn gemaakt over inspraak van de certificaathouder bij beslissingen van de beheerder, royeerbaarheid van het certificaat en de mogelijkheden om het vorderingsrecht te bezwaren. Een deel van deze afspraken is te beschouwen als nevenrechten.8 De afspraken die kunnen worden beschouwd als nevenrechten, maken geen deel uit van de vordering zelf. Bij overgang van de vordering verkrijgt de nieuwe schuldeiser ook de nevenrechten. Biemans beschrijft in zijn dissertatie op welke manier de grens kan worden bepaald tussen de vordering en een nevenrecht.9
Er bestaat geen wettelijke definitie van nevenrechten.10 Ook een eenduidige definitie in de literatuur ontbreekt.11 Booms geeft aan dat nevenrechten niet zijn te omschrijven in één criterium op basis waarvan nevenrechten kunnen worden onderscheiden van niet-nevenrechten.12 In de omschrijvingen die worden gegeven wordt duidelijk dat een nevenrecht een recht is dat zodanig samenhangt met de vordering of in een zodanig verband met de vordering staat dat het gerechtvaardigd is dat het met de vordering mee overgaat.
Booms onderscheidt vijf wijzen waarop nevenrechten kunnen toekomen aan de nieuwe rechthebbende van de (hoofd)vordering. Dit onderscheid is volgens hem van belang, omdat er rechtsgevolgen kunnen worden verbonden aan de kwalificatie ‘nevenrecht’ die niet voor alle onderstaande rechten hetzelfde zijn.13 Hij noemt de volgende categorieën:
Bij een nevenrecht dat tevens een afhankelijk recht14 inhoudt, gaat het nevenrecht over op basis van art. 3:82 BW.
Er zijn nevenrechten die door de wetgever worden toegekend aan eenieder met een specifiek type vordering. Een voorbeeld is een voorrecht.
Partijen kunnen een recht toebedelen aan eenieder die een specifiek type vordering heeft. Een voorbeeld van deze categorie nevenrechten kan een bankgarantie zijn.
Een recht kan tot het vorderingsrecht zelf behoren.15
Tot slot zijn er rechten die voortvloeien uit een beding dat de inhoud van het vorderingsrecht nader bepaalt. Booms noemt hierbij als voorbeeld onder meer afspraken omtrent de inhoud van een geschillenregeling.16
Specifiek voor certificering van vermogen kan worden gezegd dat de nevenrechten die aan een certificaat kunnen worden verbonden met name in de categorieën 3, 4 en 5 zullen vallen.17 Maar een duidelijke conclusie of alle rechten en verplichtingen die naast het vorderingsrecht bij het certificaat horen als nevenrechten kunnen worden beschouwd, is hiermee niet te geven.18
Van Steensel is van mening dat veel rechten op de verkrijgende certificaathouder zullen overgaan vanwege het feit dat er sprake is van nevenrechten.19 Hij wijst echter op de mogelijke verplichtingen die bij de certificaathouder rusten en waarbij het maar de vraag is of die ook automatisch bij de overdracht van de vordering mee overgaan.20 Vervolgens gaat hij in op het verschil in vereisten om een vordering over te dragen ten opzichte van de vereisten voor een contractsoverneming. Het grootste verschil zit hem in de mededeling aan het administratiekantoor bij de cessie ten opzichte van de vereiste medewerking van het administratiekantoor bij contractsoverneming.21 Mocht inderdaad sprake zijn van een omvangrijker recht dan enkel een vorderingsrecht, dan zou dat ook inhouden dat het bijvoorbeeld niet mogelijk is om het certificaat zelf te bezwaren met een beperkt recht.22 Dit zou overigens wel kunnen met het vorderingsrecht dat zich binnen het omvangrijkere recht van de certificaathouder bevindt.23 Ook het bepalen van de rechtsgevolgen van de aanwezigheid van certificaten in een nalatenschap zou in dat geval in een ander licht komen te staan. Een vraag die dan opkomt is in hoeverre bepaalde onderdelen uit de rechtsverhouding die het certificaat behelst apart gelegateerd kunnen worden.24
Voor een aantal rechten (en eventuele verplichtingen) die de certificaathouder heeft en waarvan onduidelijk is of deze als nevenrecht kunnen worden beschouwd, kan nog het volgende worden beargumenteerd. Op het moment dat die rechten (en eventuele verplichtingen) onderdeel uitmaken van de statuten van de stak (of statuten van de BV als het gaat om certificaten van aandelen) is er sprake van rechten met een institutioneel karakter die vanwege dit karakter overgaan naar de nieuwe certificaathouder bij overdracht van het certificaat.25 Daarbij moet wel worden aangegeven dat de rechten die worden vastgelegd in de statuten mogelijk minder eenvoudig zijn aan te passen dan de rechten die uit de beheerovereenkomst voortvloeien. Er is sprake van minder flexibiliteit.26
Ook ten aanzien van de rechten die sommige certificaathouders op grond van de wet krijgen toegekend geldt dat deze de certificaathouder zullen volgen.27
In het vervolg van dit onderzoek worden de wetgever en de huidige heersende leer gevolgd door aan te nemen dat het certificaat een vorderingsrecht behelst. De mogelijkheden om de overdraagbaarheid van certificaten te beperken komt aan de orde in paragraaf 5.3.3.1. In de analyse aan het eind van het onderzoek wordt teruggekomen op de rechten en verplichtingen die een certificaat omvat.