Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/4.4.3
4.4.3 Benoemings- en promotiebeleid
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS501018:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
De term ‘promotiebeleid’ is ontleend aan het eindrapport van de staatscommissie-Cals Donner uit 1971, p. 245-247. Strikt genomen bestaat promotie binnen de rechterlijke organisatie niet. Er is immers geen onderlinge hiërarchie tussen rechters; elke rechter is onafhankelijk in de uitoefening van zijn functie. Niettemin wordt benoeming als rechter in een ‘hoger’ gerecht dan het gerecht waar de rechter tot dan toe werkzaam was, doorgaans beschouwd als een promotie. Hetzelfde geldt voor benoemingen als president of vice-president van een gerecht. Deze ‘rangorde’ onder rechters blijkt tevens uit de salarisschaal die als bijlage is opgenomen bij de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (zie ook het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren).
Eindrapport van de staatscommissie-Cals-Donner 1971, p. 246.
Eindrapport van de staatscommissie-Cals-Donner 1971, p. 246.
Er is een zeker verband tussen de benoeming voor het leven van rechters en de wijze waarop rechters worden geselecteerd.1 Wie eenmaal benoemd is als rechter, is in beginsel immers onafzetbaar. De staatscommissie-Cals-Donner benadrukte dat de onafzetbaarheid van de rechter – waarvoor ter waarborging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht goede gronden zijn aan te voeren – verlangt, dat bij het benoemingsbeleid de grootste zorgvuldigheid in acht wordt genomen.2 Naast opleidingseisen en rechterlijke geschiktheid, die een bepaalde mate van deskundigheid en onafhankelijke rechterlijke attitude moeten garanderen, valt ook te denken aan maatschappelijke evenwichtigheid in de samenstelling van de rechterlijke macht. Dit laatste is nodig voor het vertrouwen van de bevolking in de rechterlijke macht. Er moet rekening worden gehouden met het gevaar, dat anciënniteit en verdeelsleutels, die met de rechterlijke geschiktheid geen nauw verband hebben, een te grote rol in het benoemingsbeleid spelen. De staatscommissie achtte het echter niet nodig om hiervoor grondwettelijke voorschriften te geven.3 Grondwettelijk is ten aanzien van rechterlijke benoemingen dan ook slechts vastgelegd dat de leden van de rechterlijke macht bij koninklijk besluit voor het leven worden benoemd (art. 117, lid 1 Gw). Verdere regulering van het selectiebeleid is te vinden in de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra) en lagere regelgeving. Voor zover deze betekenis heeft voor de rechterlijke onafhankelijkheid wordt dit in hoofdstuk 6 besproken.