Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.3.6
4.3.6 Het onderwijsarbeidsrecht
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949443:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Noorlander 2012, p. 69 en Huisman e.a. 2020, p. 108.
Noorlander 2012, p. 70.
Artikel 34 van de Wpo en artikel 7.37, tweede lid, van de Wvo 2020.
Artikel 49 van de Wpo, artikel 3.33, tweede lid, van de Wvo 2020 en artikel 2.1.4 en 2.1.5, van de Web.
Artikel 4a van de Wpo, artikel 3.39 van de Wvo 2020, artikel 1.3.8 van de Web en artikel 1.20 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderwijs. Zie ook Huisman 2020, p. 110.
Zie de cao primair onderwijs 2019-2020, de cao voortgezet onderwijs 2020, de cao middelbaar beroepsonderwijs 2021-2022, de cao voor het hoger beroepsonderwijs en de cao Nederlandse Universiteiten 2021-2022.
Zoals hiervoor uiteengezet is het reguliere arbeidsrecht van toepassing op het onderwijspersoneel. Het onderwijsrecht kent daarnaast een aantal bijzondere bepalingen die afwijken van het arbeidsrecht of dit aanvullen.1 Dat het onderwijsarbeidsrecht afwijkt van het commune arbeidsrecht heeft volgens Noorlander twee redenen:
De uit artikel 23 van de Grondwet voortvloeiende onderwijsstructuur die uitgaat van openbaar onderwijs (algemeen toegankelijk, levensbeschouwelijk neutraal en uitgaand van de overheid) en bijzonder onderwijs (gaat uit van een bepaalde godsdienst of levensbeschouwing en is gevat in een privaatrechtelijke rechtspersoon).
De specifieke eigenschappen van de school en de onderwijsactiviteiten waarbij de verschillende actoren, zoals het bevoegd gezag, het personeel en de leerlingen en ouders, een gemeenschap vormen met parallelle en soms botsende belangen.2
Uit artikel 23 van de Grondwet vloeit voort dat het bevoegd gezag van een bijzondere school, in afwijking van het reguliere arbeidsrecht, bijzondere eisen mag stellen aan het personeel (zie hierover uitgebreider § 3.3.7 en § 4.4.4). Het bevoegd gezag mag in bepaalde gevallen ten aanzien van het personeel onderscheid maken naar godsdienst of levensovertuiging in verband met de richting van de school.3 Ook de medezeggenschap is in het onderwijs anders geregeld dan daarbuiten. Met uitzondering van het middelbaar beroepsonderwijs en in bepaalde gevallen het hoger onderwijs, is de Wor niet van toepassing. In plaats daarvan geldt de medezeggenschapsregeling zoals opgenomen in de betreffende onderwijswet, hierdoor kunnen bijvoorbeeld leerlingen en personeelsleden gezamenlijk in een medezeggenschapsraad zitting nemen (hierop wordt dieper ingegaan in § 4.9). Uit de Wpo en Wvo vloeit verder voort dat leraren in de betreffende sectoren in algemene dienst worden benoemd.4 Dit houdt in dat zij in dienst treden bij het bevoegd gezag en niet bij een bepaalde school. Daardoor is de leraar niet gebonden aan een bepaalde school en kan hij eenvoudiger worden overgeplaatst naar een andere school van het bevoegd gezag. Ook vloeit uit de Wpo, Wvo en Web voort dat het bevoegd gezag een school en het betreffende personeel kan overdragen aan een ander bevoegd gezag, daarbij wordt het personeel in gelijke betrekking benoemd in dienst van het opvolgend bevoegd gezag.5
De onderwijswetten bevatten daarnaast bepalingen ter bescherming van leerlingen die kunnen raken aan de rechtspositie van het personeel. Zo is er een plicht tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven.6 Als het bevoegd gezag bekend is geworden dat een personeelslid zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijf dient hij onverwijld overleg te voeren met de vertrouwensinspecteur, hij dient vervolgens aangifte te doen als hieruit een redelijk vermoeden blijkt dat het personeelslid schuldig is. Met deze in 1999 ingevoegde bepalingen wordt beoogd seksuele intimidatie tegen te gaan, dit draagt bij aan het komen tot een veilig en goed schoolklimaat.7 De verantwoordelijkheid voor een veilig schoolklimaat ligt in de eerste plaats bij het bevoegd gezag, hij dient hier beleid op te maken.
In de verschillende onderwijssectoren wordt ten slotte middels een cao nader invulling gegeven aan de arbeidsvoorwaarden.8 De cao is het resultaat van onderhandelingen tussen werkgevers- en werknemersorganisaties en bevat onder meer een nadere regeling over salarissen, werk, verlof, professionalisering, disciplinaire maatregelen en bezwaar en beroep. Op de cao in het onderwijs wordt niet nader ingegaan.