Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/6.4.6
6.4.6 Specialty Manufacturing
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS300820:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Tax Court of Canada, 25 augustus 1997, nr. 95-781(IT)G, Specialty Manufacturing Ltd. vs. Her Majesty the Queen, IBDB Tax Treaty Case Law.
Tax Court of Canada, 25 augustus 1997, nr. 95-781(IT)G, Specialty Manufacturing Ltd. vs. Her Majesty the Queen, IBDB Tax Treaty Case Law.
Hieraan ontleend het Tax Court bovendien a contrario nog een argument voor zijn oordeel dat het 1942 belastingverdrag geen betrekking had op thin capitalization: ‘The introduction of a specific provision in the 1980 Treaty to deal with thin capitalization may be seen as an indication that the 1942 Treaty did not cover that concept.’ Tax Court of Canada, 25 augustus 1997, nr. 95-781(IT)G, Specialty Manufacturing Ltd. vs. Her Majesty the Queen, IBDB Tax Treaty Case Law.
Edwardes-Ker, die deze uitspraak uitgebreid becommentarieert, is daarentegen van mening dat de reikwijdte van beide bepalingen zich wel uitstrekt tot onderkapitalisatie. M. Edwardes-Ker, The International Tax Treaty Service, London: In-depth Publishing Ltd 1997, OECD Income Article 9 Page 6.0006.
Federal Court of Appeal, 18 mei 1999, nr. A-659-97, Specialty Manufacturing Ltd. vs. Her Majesty the Queen, IBDB Tax Treaty Case Law.
Eind vorige eeuw is de vraag of de bepaling over gelieerde ondernemingen van toepassing kan zijn op een regel tegen onderkapitalisatie voorgelegd aan de Canadese rechter. Specialty Manufacturing Ltd. (‘Specialty’), gevestigd in Canada, was leningen aangegaan bij twee gelieerde vennootschappen die waren gevestigd in de Verenigde Staten. De laatstgenoemde vennootschappen hadden deze fondsen op hun beurt geleend van een bank. De rente die in rekening werd gebracht door de bank was gelijk aan de rente die was verschuldigd door Specialty. Deze Canadese regels tegen onderkapitalisatie verboden de aftrek van de rente op een lening door een gelieerde persoon die geen inwoner was van Canada indien de verhouding tussen het vreemd en het eigen vermogen van de debiteur hoger was dan 3:1. Aangezien het eigen vermogen van Specialty verwaarloosbaar was, werd de rente gedurende de jaren 1984 tot 1987 in aftrek geweigerd.
Specialty deed met betrekking tot 1984 en 1985, een beroep op art. IV, lid 1, onderdeel a, van het belastingverdrag van 1942 tussen Canada en de Verenigde Staten, een bepaling die overeenkomt met art. 5 van het conceptverdrag over winsttoerekening van 1933. Voor 1986 en 1987, baseerde Specialty zich op art. IX, lid 1, van het belastingverdrag van 1980 tussen Canada en de Verenigde Staten. Deze bepaling luidt als volgt: ‘Where a person in a Contracting State and a person in the other Contracting State are related and where the arrangements between them differ from those which would be made between unrelated persons, each State may adjust the amount of the income, loss or tax payable to reflect the income, deductions, credits or allowances which would, but for those arrangements, have been taken into account in computing such income, loss or tax.’ Specialty’s opmerkelijke betoog hield in dat deze bepalingen mede betrekking konden hebben op thin capitalisation. Zij zouden in dat geval alleen een correctie toestaan wanneer het rentepercentage niet arm’s length was. De bepalingen zouden daarentegen in de weg staan aan de Canadese beperking van de aftrek van de rente.
Het Tax Court beantwoordde de vraag of art. IV, lid 1, onderdeel a, van het 1942 belastingverdrag betrekking kon hebben op de aftrekbeperking ontkennend. Het Tax Court baseerde dit oordeel in de eerste plaats op de tekst van de bepaling: ‘The text of the Article IV mandates an examination of whether the “financial relations” between the parties were conducted on a basis that differs from what would be made on an arm’s length basis, effectively resulting in a diversion of profits to the United States parent. The fact that the words “financial relations” are broad enough to include the terms of a loan, including the interest rate for the loan, however, does not necessarily mean that the Article applies to the deductibility of interest by one of the parties to any such arrangement, much less to thin capitalization cases. In my view the words “financial rela tions” in Article IV bear only upon the relationship between parties, and not upon the deduction of interest by the related Canadian company, which falls outside of the direct relationship between the parties.’1
Daarnaast kende de rechter betekenis toe aan het feit dat thin capitalization in 1942 nog een onbekend fenomeen was: ‘The intention of the parties to a treaty at the time of its conclusion is of primary importance in its subsequent construction. A tax treaty must be interpreted in the manner in which the State parties to the treaty had intended. There is no indication that any concerns had been raised regarding thin capitalization at any time prior to the drafting of the 1942 Treaty.’2
Ook art. IX van het 1980 belastingverdrag had volgens het Tax Court geen betrekking op de aftrekbeperking. Uit art. XXV, de bepaling over non-discriminatie, bleek namelijk volgens de rechter dat de opstellers van het 1980 belastingverdrag geen grenzen hadden willen stellen aan de toepassing van de Canadese regels tegen onderkapitalisatie. Art. XXV, lid 7, van het 1980 belastingverdrag komt materieel overeen met art. 24, lid 4, van het OESO-modelverdrag dat verbiedt om de aftrekbaarheid van de rente af te laten hangen van het criterium of de crediteur inwoner is van de staat van de debiteur. Art. XXV, lid 8, bepaalt evenwel dat art. XXV, lid 7, niet van toepassing is op nationale regels met betrekking tot de aftrek van de rente die al van kracht waren op de datum dat het belastingverdrag tussen Canada en de Verenigde Staten werd getekend tenzij deze regels sindsdien zodanig zijn aangepast dat hun algemene karakter is veranderd. Uit art. XXV, lid 8, volgde volgens het Tax Court dat Canada zijn regels tegen onderkapitalisatie mocht toepassen. Noch het 1942 noch het 1980 belastingverdrag kon daarom volgens het Tax Court in de weg staan aan de Canadese regels tegen onderkapitalisatie.3, 4
Specialty ging vervolgens in beroep bij de Federal Court of Appeal. Het Federal Court oordeelde dat de bepaling over gelieerde ondernemingen uit het 1942 en het 1980 belastingverdrag in beginsel van toepassing kon zijn op de Canadese regels tegen onderkapitalisatie aangezien de rechter aan deze bepaling een ruime strekking toekende: ‘The relevant 1942 and 1980 treaty provisions clearly indicate that where two or more related parties engage in transactions which do not reflect arms length arrangements, the tax consequences of the transactions may be adjusted by domestic taxing authorities.’5 De leningen die Specialty was aangegaan waren volgens het Federal Court echter geen arm’s length transacties aangezien een onafhankelijke derde de leningen niet verstrekt zou hebben. Om deze reden werd Specialty’s beroep verworpen.