Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/2.4.4.1
2.4.4.1 Het rapport van de Commissie van Slooten uit 1992
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270214:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Westra 2006, p. 104.
Hierbij wordt Haas (2015) geparafraseerd.
Haas 2015, p. 9 en 10.
Wattel en Feteris 1993, p. 9.
Kamerstukken II 1993/1994, 23 470, nr. 3, p. 9. en ook Wattel en Feteris 1993, p. 9.
HR 20 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4312, BNB 1991/29.
Zie ook Wattel 1995, onderdeel 2.
Rapport van de Commissie Van Slooten van 18 maart 1992, p. 5 en 6.
Valkenburg 2003 omschrijft oogmerk als volgt: “Het naaste doel van de dader, datgene wat hij wil en beoogt, of waar het hem juist om gaat, staat centraal.”
Kamerstukken II 1993/1994, 23 470, nr. 3, onder 6.8. en ook Wattel en Feteris 1993, p. 9.
Kamerstukken II 1993/1994, 23 470, nr. 3, onder 6.8. en ook Wattel en Feteris 1993, p. 9.
Hiermee konden de anti-cumulatiebepalingen uit HR 20 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4312, BNB 1991/29, vervallen.
Roording 1992b, onderdeel 3.5.
Roording 1992a beschrijft dat Wladimiroff dit stelde in zijn verslag van het symposium “De fiscale boete” van 25 juni 1992, alwaar Wladimiroff één van de sprekers was.
Rapport van de Commissie Van Slooten van 18 maart 1992, p. 8 en 9.
Van der Ouderaa 1992, p.2.
Van der Ouderaa 1992, p.3.
Rapport van de Commissie Van Slooten van 18 maart 1992, p. 22 en Van der Ouderaa 1992, p.2.
Kamerstukken II 1993/1994, 23 470, nr. 3, onder 9.6.4. en Wattel en Feteris 1993, p. 10.
Van der Ouderaa 1992, p.1.
Roording 1992a, p.2 beschrijft dat Wattel en Roben dit stelden in zijn verslag van het symposium ‘De fiscale boete’ van 25 juni 1992, alwaar zij sprekers waren.
Van der Ouderaa 1992, p.2.
Vervolgens is hij bij nota van wijziging op het invoeringswetsvoorstel afgevoerd (Kamerstukken II 1996/1997, 24 800, nr. 5). De bedoeling was de boete-inspecteur ook aan te wijzen als fraudecoördinator; vergelijk Kamerstukken II 1993/1994, 23 470, nr. 3, p. 11-14.
De Commissie Van Slooten houdt rekening met EHRM-jurisprudentie
Tijdens de parlementaire behandeling van het hierboven beschreven wetsvoorstel 21 058 is op het gebied van het EVRM nog volop jurisprudentie tot ontwikkeling gekomen. Deze jurisprudentie had tot gevolg dat telkens nieuwe principiële vragen werden opgeroepen over de afbakening tussen het strafrecht en het stelsel van administratieve boeten. In verband met deze jurisprudentie ondervond wetsvoorstel 21 058 allerlei kritiek.1 Wetsvoorstel 21 058 moest nog eens zorgvuldig worden bezien, zo beschrijft Westra,2 waartoe de op 14 augustus 1991 ingestelde Adviescommissie Herziening Fiscaal Boetestelsel, onder voorzitterschap van Van Slooten, zich moest zetten. In het hiernavolgende wordt eerst een opsomming gegeven van de voorstellen die de Commissie Van Slooten deed.
Onder andere de volgende vier wijzigingen werden geadviseerd op grond van de nieuwe jurisprudentie van het EVRM:3
Indien, naar objectieve maatstaven beoordeeld, de redelijke verwachting van de oplegging van een boete bestaat, komt aan de belastingplichtige zwijgrecht toe;
Het aanzeggen van het voornemen tot oplegging van een niet-ordeboete geschiedt schriftelijk;
De belanghebbende dient, voordat de boete wordt opgelegd te worden geïnformeerd over de gronden waarop hem een boete zal worden opgelegd en waarop het bedrag daarvan is gebaseerd;
De belanghebbende dient op zijn verzoek inzage te krijgen in de stukken waarop de inspecteur zich ter staving van de boeteoplegging beroept.4
Het systeem dat de Commissie Van Slooten op 18 maart 1992 voorstelde, onderscheidde zich – zo blijkt ook uit deze opsomming – van het eerdere voorstel, door de inbouw van (nog) meer rechtsbescherming en duidelijkheid voor de belastingplichtige.5 Bij brief van 23 maart 1993 deelde de toenmalige staatsecretaris de voorzitter van de Tweede Kamer mede dat de aanbevelingen op vrijwel alle punten konden worden gevolgd. Hierna volgen nog enkele aanbevelingen van de Commissie Van Slooten die met het oog op de centraal staande onderzoeksvraag wat verder worden uitgewerkt.
De Commissie Van Slooten kiest voor de terminologie van verzuimboeten en vergrijpboeten
Allereerst is, omwille van de duidelijkheid, de in het wetsvoorstel 21 058 gebruikte terminologie van ordeboeten voor lichte boeten en niet-ordeboeten voor zware boeten vervangen door respectievelijk verzuimboeten en vergrijpboeten. Wattel en Feteris beschrijven dat, hoewel met de omschrijving ordeboeten vrij nauwkeurig kon worden uitgedrukt met welk doel en ter zake van welke gedragingen deze boete wordt opgelegd, dit niet gold voor de omschrijving niet-ordeboeten. De negatieve omschrijving bracht op geen enkele wijze tot uitdrukking dat het hier ging om sancties ter zake van ernstiger beboetbare feiten dan simpele verzuimen. Door de zware boete negatief te omschrijven kon de indruk worden gewekt dat het met de laakbaarheid van de gedraging nogal meeviel, terwijl deze boete juist bedoeld was voor het meer ernstige beboetbare feit waarvoor het bestaan van opzet of grove schuld een vereiste was. Ter voorkoming van mogelijke verwarring is daarom de tot dusverre gebruikte benaming van ordeboeten en niet-ordeboeten gewijzigd in verzuimboeten en vergrijpboeten.6
De Commissie Van Slooten adviseert de introductie van een una via-bepaling
Tot dan toe kende de AWR geen algemene una via-bepaling. Wel bestonden er enkele wettelijke anti-cumulatieregelingen (zie paragraaf 2.4.2.2.), waarna zich in de jurisprudentie enkele normen ontwikkelden. Zo wees de Hoge Raad op 20 juni 1990 een principieel arrest over dit thema, door enkele boetevervalregels op te stellen:7
Een commune transactie van een fiscaal delict werd gelijkgesteld met een fiscale transactie, waardoor een commune transactie voor een fiscaal vergrijp de fiscale boete deed vervallen;
Een transactie had te gelden als veroordeling;
Het doet er niet toe of het OM en de strafrechter in wezen een fiscaal vergrijp kwalificeren onder de AWR of een commuun strafrechtelijke bepaling. Als het in wezen om hetzelfde feit gaat als dat waarvoor een fiscale boete is opgelegd, moet die boete vervallen;
Ook indien formeel twee verschillende subjecten worden bestraft, maar in wezen dezelfde verdachte/belastingplichtige tweemaal in zijn vermogen wordt getroffen voor in wezen hetzelfde feit, moet de boete vervallen.8
In lijn met deze rechtspraak adviseerde de Commissie Van Slooten een duidelijker scheiding aan te brengen tussen feiten waarop met een boete werd gereageerd en feiten waarvoor echte strafvervolging zou volgen.9 De Commissie Van Slooten stelde een kwantitatief en een kwalitatief criterium voor. Het kwantitatieve criterium was het bedrag waarvoor gefraudeerd (vanaf een nadeelbedrag van ongeveer 50.000 gulden was het strafrecht aangewezen) was en het kwalitatieve criterium was het oogmerk10 (dus niet slechts opzet) van benadeling van de schatkist.11 Ten tweede meende de Commissie Van Slooten dat de overheid moest worden gedwongen op een bepaald moment onherroepelijk te kiezen, ofwel voor de administratieve boete ofwel voor strafrechtelijke vervolging, zodat de belanghebbende niet eindeloos met twee verschillende procedures ‘achter de broek’ gezeten kon worden.12 In de literatuur wordt wel geschreven dat het una via-stelsel op dit moment het licht zag.13
Verder dan de regel dat een bepaalde beslissing van het ene overheidsorgaan de mogelijkheden van het andere orgaan om bestraffend op te treden teniet deed, ging het advies niet. Roording merkt op dat de Commissie Van Slooten zich niet heeft gewaagd aan een beschouwing over de vraag wanneer nu sprake is van ‘hetzelfde feit’. Hij schrijft:
“In het klassieke geval waarin een opzettelijk onjuiste aangifte is gedaan, is duidelijk sprake van een en hetzelfde feit. In de jurisprudentie zijn echter ook gevallen voorgekomen waarin een complex van nauw met elkaar verweven feiten – fiscale delicten en andere valsheden – zowel tot een boete als een strafvervolging leidde.”14
Een bijzonder geluid in deze tijd kwam overigens van Wladimiroff. Hij pleitte voor de afschaffing van de niet-ordeboete. Hij meende dat dit de juiste weg was om van alle samenloopproblemen af te komen. Voorts meende hij dat het strafrecht als corpus alienum uit het fiscale recht moest worden gesneden. De vervolging van fiscale delicten zou moeten worden overgelaten aan het commune strafrecht en het OM.15
De Commissie Van Slooten adviseert de introductie van een boete-inspecteur
Een aanbeveling die de Commissie Van Slooten deed, maar die niet werd overgenomen, was die van de introductie van de boete-inspecteur.16 Bij de Commissie Van Slooten bestond de vrees voor een te drieste oplegging van boeten. Van der Ouderaa meende dat het geen zin zou hebben hierover te discussiëren: “Het beeld is duidelijk, Roodkapje en de boze wolf. Ik kan dit beeld niet weerspreken, maar ik weet ook niet waar het op gebaseerd is.”17 Volgens hem werden er in die tijd veel suggestieve verwijzingen gemaakt naar onervaren inspecteurs die zich bij boeteoplegging op gevoelsoverwegingen zouden beroepen. Dit is volgens hem op zich kwalijk, maar begrijpelijk, gezien de grote beoordelingsruimte waarover heffingsfunctionarissen beschikken. Een aantal van hen heeft verklaard moeite te hebben met het vormen van een oordeel over de aanwezigheid van opzet, aldus Van der Ouderaa.18 Om deze reden is de suggestie van de Commissie Van Slooten goed te verklaren.
De vrees kwam overigens mede voort uit de nieuwe bepaling die boeteoplegging bij primitieve aanslag mogelijk maakte.19 De Commissie heeft dan ook in overweging gegeven de voorgestelde boete bij de primitieve-aanslagregeling uit wetsvoorstel 21 058 te verwijderen. Op zich zag de Commissie zelf geen bezwaren tegen een 100% boete bij een primitieve aanslagregeling, mits de boete-inspecteur ertussen zat om het enthousiasme van de aanslagregelaar in goede banen te leiden.20
De boete-inspecteur moest oordelen over de – in oude terminologie gesproken – niet-ordeboeten en moest beslissen of de zaak in het overleg met het OM en de FIOD moest worden opgebracht. Bovendien moest de boete-inspecteur strafrechtelijke opsporingsbevoegdheden krijgen. Het was vervolgens wel de aanslagregelaar die de beschikking vaststelde waarmee de boete werd opgelegd.21 De gedachte van de Commissie van Slooten was met deze onafhankelijke positie:
afstand te creëren tussen het proces van de aanslagregeling en de boeteoplegging;22
een ongewenste dubbelrol voor de aanslagregelaar te voorkomen;23
de boeteoplegging met meer waarborgen te omkleden;24
meer aandacht te kunnen besteden aan het specifieke geval;25
landelijke afstemming te bevorderen.26
Wattel en Roben meenden dat deze onafhankelijke inspecteur een halt zou kunnen toeroepen aan de wisselgeldpraktijk: het onderhandelen over de boete als wisselgeld voor de enkelvoudige transactie.27 Van der Ouderaa merkt aan de andere kant op:
“Men kan zich afvragen of de hiervoor weergegeven taakomschrijving voldoende reden vormt voor het instellen van een aparte functionaris; de taken zijn op zichzelf stuk voor stuk essentieel in het proces van boeteoplegging, maar lijken zich qua zwaarte niet in opvallende mate te onderscheiden van de taak van een gewone aanslagregelende ambtenaar. In de regel zal het toch laatstgenoemde zijn die, al dan niet in samenspraak met zijn controlerende collega, zal moeten vaststellen of het opleggen van de boete (überhaupt) aan de orde is (dat wil zeggen, de opportuniteit ervan).”28
Het idee van de boete-inspecteur is uiteindelijk in de Eerste Kamer gestrand.29 Het is mij niet duidelijk geworden of de door Van der Ouderaa genoemde redenen doorslaggevend zijn geweest voor het niet overnemen van deze aanbeveling van de Commissie Van Slooten.