Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/6.4.1
6.4.1 Geen straffeloosheid als de belastingplichtige heeft verondersteld dat hij een onjuiste aangifte deed
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS568709:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 4, paragrafen 4.4.2.1. en 4.4.2.2.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.6.3.2.
HR 13 november 2001, NJ 2002/221, ECLI:NL:HR:2001:AD4466, r.o. 4.5: “In de hiervoor onder 4.2.2. weergegeven overwegingen van het Hof ligt dan ook zijn met (bedoeld zal zijn: niet, MK) onbegrijpelijk oordeel besloten dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de desbetreffende bedragen niet heeft opgegeven omdat hij zich toen op het standpunt stelde dat hij de (dit woord kan vervallen, MK) die bedragen niet behoefde op te geven.” Zo ook Hof Amsterdam 19 april 2012, ECLI:NL:GHAMS:2013:BW4432, r.o. 4.13-4.14; Hof Amsterdam 19 april 2012, ECLI:NL:GHAMS:2013:BW4436, r.o. 4.13-4.14.
Zie hoofdstuk 4, paragraaf 4.3.3 en hoofdstuk 5, paragraaf 5.4.1.
HR 6 maart 2012, NJ 2012/176, ECLI:NL:HR:2012:BQ8596, r.o. 7.3-7.4: “Voorts volgt uit ’s Hofs overwegingen ter verwerping van dit verweer, dat de verdachte dit standpunt niet huldigde ten tijde van het doen van de … aangiften, doch dat hij destijds ervan uitging dat die aangiften onjuist waren en hij als een op dit terrein werkzame belastingadviseur ook moet hebben geweten dat die aangiften onjuist waren ingevuld. Aldus volgt uit de feitelijke en niet-onbegrijpelijke vaststellingen van het Hof dat de verdachte niet heeft gehandeld in de veronderstelling dat de wijze waarop de aangiften werden gedaan toelaatbaar was.” Herhaald door A-G Vegter, conclusie van 6 oktober 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2327, r.o. 8.4.-8.6.
De belastingplichtigen in de hiervoor in paragraaf 6.3.1.1 en 6.3.1.2 geschetste situaties hebben gewoonweg een onjuiste aangifte gewild, zonder dat hen een standpunt voor ogen stond of zonder te geloven dat het ingenomen standpunt pleitbaar was. In deze situaties hoeft er op grond van het derde uitgangspunt daarom niet te worden gezocht naar mogelijkheden om na de vaststelling van het opzet te bewerkstelligen dat deze belastingplichtigen ongestraft blijven.
Dit sluit aan bij de twee hiervoor genoemde arresten van de strafkamer van de Hoge Raad uit 2001 en 20121 en overigens ook bij jurisprudentie in strafzaken van de United States court of appeals van het tweede en zesde district.2 In de procedure die leidde tot het arrest uit 2001 beriep de verdachte belastingplichtige zich op een pleitbaar standpunt dat hem ten tijde van het doen van de aangifte, die hij opzettelijk onjuist had gedaan, volgens het hof niet voor ogen had gestaan. De strafkamer van de Hoge Raad heeft overwogen dat dit verweer het reeds vastgestelde opzet niet raakt.3 De belastingkamer van de Hoge Raad heeft overigens ook nooit expliciet geoordeeld dat het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt onder deze omstandigheden (het pleitbare standpunt “deus ex machina”) alsnog tot het ontbreken van opzet zou moeten leiden.4 In de procedure die leidde tot het arrest uit 2012 was vast komen te staan dat de verdachte ten tijde van het doen van de aangifte veronderstelde dat zijn standpunt niet pleitbaar maar kansloos was. De strafkamer van de Hoge Raad heeft overwogen dat, zodra de rechter heeft vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het doen van de aangifte het standpunt niet heeft gehuldigd, maar ervan uit is gegaan dat de aangifte onjuist was, het pleitbare standpunt niet aan het bewijs van opzet afdoet.5 Na de vaststelling van het opzet heeft de strafkamer van de Hoge Raad zich in beide arresten niet meer uitgelaten over mogelijkheden om de strafrechtelijke aansprakelijkheid alsnog uit te sluiten, maar de veroordelingen ongemoeid gelaten. De strafkamer van de Hoge Raad lijkt in deze situaties dus geen straffeloosheid te hebben gewild, overigens zonder te beoordelen of het standpunt waarop de verdachte zich beriep inderdaad naar objectieve maatstaven pleitbaar was.