Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.12.2:2.12.2 Conclusies
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/2.12.2
2.12.2 Conclusies
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS302228:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
68
De procedure in cassatie kan niet worden beschouwd als een volwaardige derde instantie. Het staat partijen niet vrij om nieuwe feiten aan te voeren. Hier staat de uitspraak van het hof ter discussie. De Hoge Raad is gebonden aan de cassatiemiddelen die partijen indienen en de daarvoor geboden feitelijke grondslag, in de vorm van de gedingstukken uit eerste aanleg en hoger beroep, evenals het arrest waartegen cassatieberoep is ingesteld.
Er zijn twee gronden op basis waarvan cassatieberoep kan worden aangetekend tegen een arrest van het hof. Dat betreft de schending van het recht, of het verzuim van vormen. Voor de eerste categorie is voldoende feitelijke grondslag essentieel. Deze feitelijke grondslag – te vinden in het bestreden arrest en de gedingstukken – is noodzakelijk om tot cassatie te kunnen overgaan. Ook bij de tweede categorie is de aanwezigheid van voldoende feitelijke grondslag vereist, maar de toets betreft dan vooral de begrijpelijkheid van de motivering in een arrest aan de hand van deze feitelijke grondslag. Zo kan de cassatierechter tot op zekere hoogte ook feitelijke vaststellingen toetsen via de band van een klacht over verzuim van vormen.
De rol van de openbare orde is in de cassatieprocedure in zoverre uitgespeeld, dat het er niet toe leidt dat de cassatierechter buiten de cassatiemiddelen of de feitelijke grondslag zou mogen treden. Aan de cassatierechter wordt niet zozeer het feitelijke geschil als wel het bestreden arrest ter beoordeling voorgelegd. Wanneer een middel is gericht tegen het ten onrechte buiten toepassing laten van een bepaling van openbare orde, dan wel het onjuist toepassen daarvan, dient de cassatierechter te toetsen of de klacht terecht is. Hiervoor is voldoende feitelijke grondslag vereist. In zoverre verschilt deze situatie dus niet van een andersoortige rechtsklacht.