Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/3.2.3.1
3.2.3.1 Geen eenduidigheid in de literatuur
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859301:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, p. 25.
Tempelaar, WPNR 2010/6865, p. 863. Hij neemt hetzelfde standpunt in met betrekking tot de bewindvoerder.
Asser/Perrick 4 2021/679.
Commissie Erfrecht van de KNB, WPNR 2010/6866, p. 880. De commissie erfrecht verwijst voor Kraan zijn visie naar WPNR 2005/6646, p. 972. Het gaat het bestek van dit onderzoek te buiten een (verdere) vergelijking te maken met het voordeelsbegrip bij de verboden beschikkingen.
Van Mourik, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 30. Hij neemt hetzelfde standpunt in met betrekking tot de bewindvoerder.
En bewindvoerder. Zie daarover nader par. 3.2.4.
Commissie Erfrecht van de KNB, WPNR 2010/6866, p. 880. Als alternatief kan volgens de commissie nog worden gedacht aan het opnemen van een dergelijke bepaling in het ‘definitie-artikel’ 4:8 BW met als voordeel dat deze definitie ook geldt voor art. 4:57 tot en met 4:62 BW, waar de kwestie – in wisselende terminologie – ook speelt.
Mellema-Kranenburg e.a. 2012, p. 1. Zie ook Commissie Erfrecht van de KNB, WPNR 2010/6866, p. 880.
De vraag of het executeurschap valt onder het voordeelsbegrip in artikel 4:3 BW wordt in de literatuur verschillend beantwoord. Van der Burght & Ebben stellen dat een executeursbenoeming als gevolg van onwaardigheid komt te vervallen.1 Tempelaar komt tot dezelfde conclusie.2 Volgens Perrick moet het begrip ‘voordeel’ in artikel 4:57 e.v. BW (de zogeheten ‘verboden beschikkingen’) beperkt worden opgevat. Hij meent dat uitgegaan dient te worden van voordeel in economische zin. Aangezien hetgeen de executeur als loon ontvangt, zelfs wanneer hem dat onder de naam van een legaat is vermaakt, niet om niet is gegeven, ziet hij geen bezwaar tegen de benoeming tot executeur bij deze artikelen. Hierbij doet volgens hem niet ter zake of dit het wettelijke loon is dan wel dat de erflater een ‘bepaalde’ beloning heeft toegekend of daarvoor een ‘bijzonder’ legaat heeft gemaakt. Dit vindt echter zijn grens als de ‘bepaalde’ beloning of het ‘bijzonder’ legaat te groot is voor een beloning en daaruit de bedoeling blijkt de executeur in strijd met artikel 4:57 e.v. BW te bevoordelen. Voor zover dat het geval is, komt vernietigbaarheid van de beschikking om de hoek kijken.3 Perrick spreekt hierbij niet over artikel 4:3 BW. Niettemin leidt de Commissie Erfrecht van de KNB (verder: de commissie erfrecht) hieruit af dat Perrick (ook) geen bezwaar ziet tegen het zijn van executeur bij onwaardigheid, dit in tegenstelling tot Kraan.4 Van Mourik is zonder verdere toelichting van mening dat een benoeming tot executeur niet impliceert dat voordeel uit de nalatenschap wordt getrokken.5
Volgens de commissie erfrecht is onduidelijk of de term ‘voordeel trekken uit een nalatenschap’ ook de functie van executeur omvat.6 Vanwege de wisselende opvattingen hierover in de literatuur pleit de commissie voor meer duidelijkheid op dit punt en komt tot de conclusie dat het aanbeveling verdient in artikel 4:3 BW te bepalen dat het benoemd worden tot executeur niet betekent dat ‘voordeel uit de nalatenschap wordt getrokken’.7 Los van de discussie of de executeursbenoeming een voordeel oplevert in de zin van artikel 4:3 BW, is de commissie van oordeel dat een persoon die onwaardig is niet kan optreden als executeur en dat onwaardigheid derhalve een reden kan zijn voor ontslag wegens gewichtige redenen door de kantonrechter.8