Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/3.6.1
3.6.1 Voorlopige voorzieningen en nevenvoorzieningen; art. 4 lid 2, lid 3 Rv
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS434206:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hoewel de rechtsmacht ten aanzien van voorlopige voorzieningen ook kan worden afgeleid uit art. 13 Rv, leek het de wetgever omwille van de duidelijkheid wenselijk om de rechtsmacht van de echtscheidingsrechter ten aanzien van voorlopige voorzieningen op deze plaats uitdrukkelijk vast te leggen. Zie Kamerstukken II 2000/01, 26 855, nr. 3, p. 21 (MvT).
Zie bijv. Rb. 's-Gravenhage 17 november 2004, NIPR 2005, 115; Rb. 's-Gravenhage 8 juli 2005, NIPR 2005, 321.
Zie bijv. Hof 's-Gravenhage 17 december 2003, NIPR 2004, 104; Hof 's-Hertogenbosch 13 januari 2005, LJN AS2652; Rb. Haarlem 3 mei 2005, JPF 2005, 83. Verder de volgende uitspraken van de Rb. 's-Gravenhage: 20 november 2002, NIPR 2003, 13; 7 maart 2003, NIPR 2003, 246; 24 maart 2003, NIPR 2003, 247; 27 oktober 2003, NIPR 2004; 8 december 2003, NIPR 2004, 118; 7 januari 2004, NIPR 2004, 121; 14 januari 2005, NIPR 2005, 118; 21 december 2005, LJN AV0382.
Kamerstukken 12000/01, 26 855, nr. 250a, p. 9 (Voorlopig verslag). Hierop voortbordurend wordt de volgende vraag opgeworpen: 'Verdient het geen aanbeveling een zodanige bepaling op te nemen dat bij een in Nederland gesloten huwelijk/geregistreerd partnerschap een na uitgesproken echtscheiding/ontbinding van het partnerschap de Nederlandse rechter rechtsmacht behoudt indien er voldoende aanknopingspunten zijn met de Nederlandse rechtssfeer.'
Kamerstukken 12000/01, 26 855, nr. 16, p. 14-15 (MvA).
Deze forum non conveniens-restrictie geldt voor geen enkele nevenvoorziening, behalve gezag en omgang. Onjuist is daarom de overweging van Rb. Haarlem 9 maart 2004, NIPR 2004, 128, ter zake van de rechtsmacht in het nevenverzoek inzake boedelverdeling en toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning: 'Met betrekking tot de nevenvoorzieningen komt de rechtbank rechtsmacht toe, aangezien deze voorzieningen sterk verbonden zijn met de hoofdzaak en voldoende aanknopingspunten hebben met de Nederlandse rechtssfeer.' [curs., Fl]
Het tweede en derde lid van art. 4 Rv geven een expliciete regeling voor de rechtsmacht van de Nederlandse echtscheidingsrechter ten aanzien van voorlopige voorzieningen en nevenvoorzieningen. Het gaat hier om een accessoire of convexe rechtsmacht van de echtscheidingsrechter. Als de Nederlandse rechter op grond van de Verordening Brussel Ilbis of art. 4 lid 1 Rv rechtsmacht heeft ten aanzien van het echtscheidingsverzoek, dan heeft hij automatisch ook rechtsmacht tot het treffen van met de echtscheiding verband houdende voorlopige voorzieningen en nevenvoorzieningen (art. 822 lid 1 resp. art. 827 lid 1 Rv).1 Hierbij valt te denken aan voorzieningen op het terrein van gezag en omgangsrecht met betrekking tot kinderen, gebruik van de voormalige echtelijke woning, levensonderhoud tussen voormalige echtgenoten en/of tussen ouder en kind,2 terbeschikkingstelling van goederen voor dagelijks gebruik en verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.3 Tijdens de parlementaire behandeling is opgemerkt dat een vordering tot verdeling van een huwelijksgoederen-gemeenschap buiten echtscheiding niet tot de rechtsmacht van de Nederlandse rechter behoort als de gedaagde in het buitenland woont. Dit zou de in Nederland woonachtige eiser voor grote problemen plaatsen indien de gedaagde in het buitenland woont of onvindbaar is.4 Om dit probleem te voorkomen doen partijen er goed aan om in het kader van de Nederlandse echtscheidingsprocedure een verdelingsverzoek in te stellen. De Nederlandse rechter heeft dan rechtsmacht op grond van art. 4 lid 3 jo. art. 827 lid 1 sub b Rv. Blijft een daartoe strekkend nevenverzoek uit, dan moeten partijen accepteren dat een procedure in Nederland in beginsel - de uitzondering van art. 9 sub b Rv daargelaten5 - niet mogelijk is.
Ook bij voorlopige voorzieningen en nevenvoorzieningen geldt de beperking van art. 1 Rv; primair zal bepaald moeten worden of de Nederlandse rechter zijn rechtsmacht ten aanzien van een van de genoemde voorzieningen kan baseren op een voor Nederland geldend verdrag of EG-verordening. Volgt de rechtsmacht in een voorlopige voorziening of nevenvoorziening reeds uit bijvoorbeeld de Verordening Brussel Bbis,
het HKbV 1961 dan wel de EEX-Verordening, dan blijven art. 4 lid 2 en lid 3 Rv verder buiten toepassing. In Rb. Haarlem 27 september 2005, NIPR 2006, 17, wordt de rechtsmacht ten aanzien van het verzoek van de vrouw tot een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige gebaseerd op art. 4 lid 3 Rv. De rechtbank is van mening dat zij ingevolge art. 4 lid 3 sub b Rv als echtscheidingsrechter een convexe bevoegdheid heeft ter zake van het verzoek tot levensonderhoud, maar verliest daarbij uit het oog dat de rechtsmacht in dit geval reeds voortvloeit uit art.
2 EEX-Vo. De man had zijn gewone verblijfplaats in Nederland.
Art. 4 Rv koppelt de rechtsmacht tot het treffen van met de echtscheiding verband houdende voorzieningen aan de echtscheidingsbevoegdheid. Is de Nederlandse rechter in de echtscheiding bevoegd, dan heeft hij ook steeds rechtsmacht tot het treffen van een voorlopige voorziening en/of nevenvoorziening. Deze koppeling is voor de voorlopige voorzieningen absoluut, zodat de rechter steeds bevoegdheid heeft tot het nemen van voorlopige en bewarende maatregelen, of het nu gaat om gezag of omgang, de echtelijke woning of levensonderhoud. Dat de mogelijkheid van forum non conveniens in art. 4 lid 2 Rv ontbreekt is Rb. Haarlem 13 februari 2002, NIPR 2003, 91, kennelijk ontgaan. De rechtbank acht zich bevoegd tot het treffen van voorlopige voorzieningen met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid alsmede levensonderhoud, nu 'de zaak dienaangaande voldoende aanknopingspunten heeft met de rechtssfeer van Nederland. Immers, zowel de beide ouders als de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit en komen regelmatig naar Nederland om familie te bezoeken.' Naar mijn mening is deze toevoeging overbodig. Het is zelfs onjuist, omdat de rechtsmacht simpelweg voortvloeit uit de echtscheidingsbevoegdheid. Art. 4 lid 3 Rv maakt voor de rechtsmacht in nevenvoorzieningen enige uitzonderingen die niet gelden voor voorlopige voorzieningen. De Nederlandse rechter die bevoegd is ter zake van de echtscheiding heeft namelijk geen rechtsmacht ten aanzien van een nevenverzoek tot voortgezet gebruik of toekenning van het huurrecht van de voormalige echtelijke woning, indien de woning buiten Nederland is gelegen (sub a). Een tweede uitzondering wordt gemaakt voor gezags- en omgangsregelingen. De Nederlandse echtscheidingsrechter is forum non conveniens, indien hij zich, wegens de geringe verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland, niet in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen (sub b).6