Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/2.2.1.2.2
2.2.1.2.2 Periode 1883-1946
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS441324:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Nierstrasz (1890), p. 38.
Nierstrasz (1890), p. 38.
Haakman (1892), p. 59-64 en p. 68.
Molengraaff (1904), p. 411 e.v., in het bijzonder p. 414.
In de eerste druk van zijn ‘Leidraad’ gaat hij op deze kwestie niet uitdrukkelijk in, anders dan door te zeggen dat de geldschieter wel toezicht mag uitoefenen en machtiging geven; zie Molengraaff (1889), p. 79.
Molengraaff (1905), p. 126, Molengraaff (1915), p. 153, Molengraaff (1919), p. 176, Molengraaff (1923), p. 176, Molengraaff (1930), p. 201.
Molengraaff (1940), p. 194.
Polak (1910), p. 295, Polak (1918), p. 314-315, Polak (1922), p. 334, Polak (1927), p. 338, Polak (1935), p. 311.
Kist-Visser III (1914), p. 364.
Kist-Visser III (1914), p. 364.
Schermer-Dubois-Veenenbos (1921), p. 116-117 en Schermer-Dubois-Jurgens (1939), p. 165 en 166.
Scheltema (1928), p. 35-36 en p. 44-45.
Fruin (1928), p. 51-52.
Kist-Visser III (1914), p. 363, noot 3. Zie uitvoerig hoofdstuk 4.
Zie voor een overzicht: Binger (1865), p. 49-50. Hierover uitvoerig in hoofdstuk 4.
Aangehaald bij en besproken door Binger (1865), p. 49 en p. 143. Zie ook Duynstee (1940), p. 151-152. Uitvoerig hierover hoofdstuk 4.
Rb. Amsterdam 29 juni 1923, NJ 1923, p. 1377, W. 11171.
Hof Amsterdam 19 april 1927, W 11670.
HR 11 april 1980, NJ 1981, 307 m.nt. B.W., waarover meer in 2.2.2.2.3 onder a).
Hof Leeuwarden 11 februari 1942, NJ 1942, 490.
In het door de commanditaire vennoot ingestelde cassatieberoep is tegen’s hofs oordeel op dit punt geen cassatiemiddel aangevoerd. Zie HR 15 januari 1943, NJ 1943, 201, waarover meer in 2.2.3.
Hof Leeuwarden 3 december 1941, NJ 1942, 242. In deze zaak kwam wel een andere vraag aan de orde, die niet relevant is voor de reikwijdte van het bestuursverbod maar wel voor de op overtreding hieraan verboden gevolgen, namelijk of de bedrijvige commanditair op basis van art. 21 WvK alleen aansprakelijk is tegenover de vennootschapscrediteur jegens wie hij is opgetreden of jegens alle vennootschapscrediteuren. Hierover meer in 2.2.3.
Duynstee (1940), p. 154. Zo ook Duynstee (1942a), p. 99.
Duynstee (1940), p. 154, voetnoot 9 en Duynstee (1942a), p. 99. Asser/Maeijer 5-V (1981), p. 338, acht dit overigens betwistbaar.
Duynstee (1940), p. 155 e.v.
Duynstee (1940), p. 157.
Duynstee (1942a), p. 103 en in Handelingen NJV (1942-1946), p. 131-132.
Asser/Maeijer 5-V (1995), nr. 29.
Zie hierover 5.2.2.3.
De Grooth (1942), p. 162.
De Grooth (1942), p. 162.
Vraagpunt 6 luidde: ‘Moet, indien de commanditair tegenover derden voor de vennootschap optreedt, daarvan het gevolg zijn: (..)?’, waarop een aantal aansprakelijkheidsvarianten volgen die in 2.2.2 zullen worden besproken.
Duynstee (1942b), p. 310-311.
Handelingen NJV (1942-1946), p. 102-104.
Duynstee (1942b), p. 311, Handelingen NJV (1942-1946), p. 103.
Handelingen NJV (1942-1946), p. 104.
Duynstree (1942a), p. 103, Duynstee (1942b), p. 311.
Handelingen NJV (1942-1946), p. 132-133.
Handelingen NJV (1942-1946), p. 133.
Nierstrasz (1890), p. 39, Molengraaff (1889), p. 79, Molengraaff (1905), p. 126, Molengraaff (1915), p. 153, Molengraaff (1919), p.176, Molengraaff (1923), p. 176, Molengraaff (1930), p. 201, Molengraaff (1940), p. 194, Polak (1927), p. 338, Polak (1935), p. 311, Kist- Visser III (1914), p, 365, Scheltema (1928), p. 36, Schermer-Dubois-Jurgens (1939), p. 165, Duynstee (1940), p. 154, voetnoot 10.
Nierstrasz (1890), p. 39, Kist-Visser III (1914), p. 365, Schermer-Dubois-Jurgens (1939), p. 165.
Nierstrasz (1890), p. 41-42, Haakman (1892), p. 63, Kist-Visser III (1914), p, 365, Schermer-Dubois-Jurgens (1939), p. 166, Duynstee (1940), p. 154.
Nierstrasz (1890), p. 39 en Duynstee (1942a), p. 102.
Nierstrasz (1890), p. 39.
Duynstee (1942a), p. 100.
Haakman (1892), p. 63, Molengraaff (1905), p. 126, Molengraaff (1915), p. 153, Molengraaff (1923), p. 176, Molengraaff (1930), p. 201, Molengraaff (1940), p. 194, Kist-Visser III (1914), p. 365, Scheltema (1928), p. 36, Schermer-Dubois-Jurgens (1939), p. 165, Duynstee (1940), p. 159, Duynstee (1942a), p. 100. Anders: Fruin (1928), p. 51.
Nierstrasz (1890), p. 39-40, Duynstee (1940), p. 159.
Eerder al Binger, zie 2.2.1.2.1 hierboven.
Scheltema (1928), p. 36.
Duynstee (1942a), p. 100-101.
Van der Grinten (1942), p. 172-173. Wetenschappelijke waarde had het boek volgens Van der Grinten weinig, terwijl ook de bruikbaarheid voor de praktijk niet groot was, wat Van der Grinten leidde tot de conclusie dat onze rechtsliteratuur met dit boekje niet was verrijkt.
KB van 22 november 1879, n°. 26.
Staatscommissie (1890), p. 28. Zie voor een – uiterst korte – toelichting: Staatscommissie (1890), p. 82.
Dat was overigens ook een noviteit: tot de inwerkingtreding van de Handelsregisterwet 1918, Stb. 1918, 493, was de commanditaire vennootschap niet verplicht tot inschrijving in enig openbaar register; zie art. 5, 6 en 7 lid 1 Handelsregisterwet 1918 zoals die toen luidden.
Staatscommissie (1890), p. 7.
Zie art. 3 en 4 ten aanzien van de vennootschap onder firma, die volgens art. 26 mede op de commanditaire vennootschap van toepassing zijn. Volgens art. 27 diende daarnaast te worden vermeld wie de gecommanditeerde en wie de commanditaire vennoten waren, en ook het bedrag van de inbreng van iedere commanditaire vennoot.
Een belangrijke overweging daarbij was dat de Staatscommissie niet de bestaande praktijk wilde belemmeren, die inhield dat personen die enige tijd in een onderneming werkzaam waren geweest, een aandeel in de zaak kregen zonder daarbij hoofdelijk aansprakelijk te worden voor de vennootschapsschulden. Zie Notulen Staatscommissie (1879-1890), Deel 1, p. 71. Ook achtte de Staatscommissie het ongewenst dat iemand die de lust en de geschiktheid bezat om in een vennootschap beheer te voeren, dit niet zou kunnen doen ‘zonder zich tot zijn laatste cent aansprakelijk te stellen voor de zaken dier vennootschap’. Zie Notulen Staatscommissie (1879-1890), Deel 3, p. 326.
Notulen Staatscommissie (1879-1890), Deel 1, p. 73-74. Inspiratie voor dit stelsel heeft de Staatscommissie ontleend aan het toenmalige art. 151 ADHGB, zie Notulen Staatscommissie (1979-1890), Deel 1, p. 74. Zie hierover ook Haakman (1892), p. 74.
De heren J. G. Kist, H. C. Verniers van der Loeff (tot 1884), J. A. Fruin (tot 1884), T. M. C. Asser, M. J. Pijnappel, G. J. Th. Beelaerts van Blokland (tot 1888) en W.L.P.A. Molengraaff (vanaf 1885). Zie Staatscommissie (1890), p. V-VII.
Notulen Staatscommissie (1879-1890), Deel 1, p. 71, en Deel 5, p. 94-95.
Staatscommissie (1890), p. 79.
Staatscommissie (1890), p. 27.
Uitvoeriger over de reikwijdte van deze hoofdelijkheid: 2.2.2.2.2 onder d) hierna.
Zie art. 28 van het ontwerp, waarover Staatscommissie (1890), p. 80 en Haakman (1892), p. 75.
Vraagpunt 36, zie ‘Commissie voor de Handelswetgeving, No. 1, Vraagpunten betreffende de Vennootschappen (ontworpen door Mr. Asser)’, NL-HaNA, Asser, 2.21.014, inv.nr. 354.
Staatscommissie (1890), p. 79 en p. 82.
a) De beperkte leer blijft leidend
De opvatting van Binger over de onbevoegdheid van de commanditair om zich met de interne gang van zaken binnen de vennootschap in te laten vond in de rechtsgeleerde literatuur en rechtspraak bepaald geen massale navolging. Integendeel: in de gezaghebbende commentaren op art. 20 lid 2 WvK gedurende de in de aanhef genoemde periode wordt onveranderlijk de opvatting gehuldigd dat dit artikel slechts ziet op externe handelingen van de commanditair ten name van de commanditaire vennootschap. Nierstrasz betoogt in zijn in 1890 verdedigde proefschrift dat onder het bestuursverbod in het algemeen valt al hetgeen de vennootschap naar buiten doet optreden.1 Wel maakt hij de kanttekening dat het niet altijd eenvoudig is deze handelingen naar buiten te onderscheiden van die, welke een dergelijk optreden naar buiten voorbereiden. 2 In zijn in 1892 verdedigde dissertatie betoogde Haakman dat de commanditair te zien is als vennoot en hij daarmee in beginsel bevoegd is tot beheer. Daarom dient volgens Haakman het bestuursverbod niet ruimer te worden uitgelegd dan nodig is om de doeleinden ervan, gelegen in de bescherming van de belangen van derden, te bereiken.3 Op basis daarvan is het volgens Haakman de commanditair weliswaar verboden naar buiten op te treden, maar zal hij alle bevoegdheden voor zich kunnen bedingen die niet noodzakelijkerwijze nopen tot een optreden naar buiten. Ook Molengraaff stelt in een artikel in het Rechtsgeleerd Magazijn uit 1904 dat de commanditair zich niet op een zodanige wijze met het beheer van de zaken der vennootschap mag inlaten dat dit naar buiten blijkt. Hij brengt dit verbod overigens in verband met het zijns inziens niet-openbare karakter van de commanditaire vennootschap.4 Ook in alle drukken van zijn ‘Leidraad’ waarin hij zich over deze kwestie heeft uitgelaten5 heeft Molengraaff zich op het standpunt gesteld dat de commanditaire vennoot zich niet mag gedragen als beherend vennoot: hij mag bij voorbeeld niet meetekenen.6 Na de dood van Molengraaff in 1931 hebben de bewerkers van zijn ‘Leidraad’ dit standpunt overgenomen.7 Ook Polak stelt in zijn handboek dat art. 20 lid 2 WvK ten doel heeft derden niet de indruk te geven dat de commanditaire vennoot hoofdelijk aansprakelijk is.8 Dezelfde mening wordt uitgedragen door Kist-Visser, die in art. 20 lid 2 WvK niet een generiek verbod ziet voor de commanditaire vennoot om op enigerlei wijze zijn diensten aan de vennootschap te verbinden, maar alleen een verbod om dat te doen op een zodanige wijze dat hij als beheerder naar buiten optreedt.9 Dat brengt met zich mee dat hij ook een incidentele handeling die in het algemeen tot de taak van de bedrijfsleider behoort niet mag verrichten.10 Ook Schermer- Dubois-Veenenbos en later Schermer-Dubois-Jurgens menen dat de commanditair de bevoegdheid is ontzegd om ten bate van de vennootschap naar buiten op te treden.11 Een vergelijkbaar geluid komt van Scheltema die in zijn preadvies uit 1928 schrijft dat art. 20 lid 2 WvK de commanditaire vennoot slechts belet zich zo te gedragen dat hij tegen derden de schijn zou wekken beherend vennoot te zijn. Deelneming aan het beheer staat de commanditaire vennoot vrij, voor zover deze van interne aard is.12 Ook zijn medepreadviseur Fruin lijkt deze opvatting aan te hangen, al spreekt hij zich niet expliciet uit.13 Als argument voor deze opvatting werd door de doctrine veelal gewezen op de hierboven als tweede genoemde rechtsgrond van het bestuursverbod: voorkomen moest worden dat derden de indruk zouden krijgen dat degene die namens de vennootschap optreedt de gecommanditeerde vennoot is. De eerste rechtsgrond, en de enige die in de Nederlandse parlementaire geschiedenis wordt genoemd, inhoudende dat voorkomen moest worden dat de commanditair gewaagde transacties zou verrichten waarvan hij zelf slechts in beperkte mate de financiële gevolgen behoeft te dragen, speelde in de argumentatie een aanmerkelijk kleinere rol. Art. 20 lid 2 WvK beoogt volgens al deze schrijvers niet meer dan het beschermen van de handelspartners van de commanditair die in naam van de commanditaire vennootschap handelt. Die bescherming wordt gerealiseerd wanneer de commanditair zich onthoudt van het naar buiten optreden namens de commanditaire vennootschap. Ter nadere onderbouwing van deze interpretatie van art. 20 lid 2 WvK, waarin dit artikel de commanditair slechts het verrichten van zich extern manifesterende handelingen verbiedt, werd ook een beroep gedaan op hetgeen de Franse wetgever beoogde met art. 27 Code de Commerce, dat zoals hierboven is beschreven model stond voor art. 20 lid 2 WvK.14 Volgens de toenmalige Franse doctrine15 had art. 27 Code de Commerce slechts de bedoeling actes de gestion extérieure te treffen: alleen het verrichten van naar buiten blijkende handelingen was de commanditair verboden. Ook de Franse Conseil d’État stelde zich op dat standpunt. In zijn beslissing van 29 april 180916 oordeelde deze dat art. 27 Code de Commerce alleen betrekking had op handelingen die – al dan niet krachtens volmacht – door de commanditairen zijn verricht ‘en réprésentant comme gérants la maison commanditée’.
b) Ook de jurisprudentie volgt de beperkte leer
De – overigens schaarse – rechtspraak in deze periode waarin het bestuursverbod ter sprake kwam huldigde eveneens de beperkte opvatting, althans gaf er geen blijk van de ruime opvatting aan te hangen. Er zijn drie uitspraken bekend waarin de reikwijdte van het bestuursverbod inzet van de rechtsstrijd was, die zijn gedaan in twee zaken. Beide zaken betroffen externe handelingen van de commanditair. In de eerste zaak stond vast dat de commanditair op verzoek van de gecommanditeerde vennoot naar buiten bestuurshandelingen had verricht toen de zaken van de vennootschap commercieel mis dreigden te gaan. Op basis van een analyse van de historische bedoeling van het bestuursverbod oordeelde de arrondissementsrechtbank van Amsterdam in 1923 dat bij de beoordeling van de vraag of de commanditair hem verboden daden van beheer had verricht of in de zaken van de vennootschap werkzaam was geweest, nauwkeurig zal moeten worden nagegaan in hoeverre de aard en de omvang van de beweerdelijk door de commanditair verrichte handelingen zodanig is geweest, dat daardoor derden in de mening gebracht konden worden dat hij als gecommanditeerd vennoot met zijn gehele vermogen achter de vennootschap stond.17 De rechtbank kwam tot de conclusie dat daarvan in de omstandigheden van het geval geen sprake was. Op basis daarvan achtte zij art. 20 lid 2 WvK dan ook niet overtreden. Het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is door het gerechtshof van Amsterdam verworpen.18 Het hof meende dat art. 20 lid 2 WvK het een commanditaire vennoot niet onbepaald verbood in het bedrijf van de vennootschap handelend op te treden en werkzaam te zijn: hij zal zich volgens het hof slechts hebben te onthouden van zodanige handelingen en werkzaamheden die naar buiten het vertrouwen wekken, dat hij als leider van het bedrijf mede het beheer van de vennootschap voert en dus als medevennoot met zijn gehele vermogen aansprakelijk is. Het opvallende in deze zaak is dat de commanditaire vennoot zich wel degelijk naar buiten met het beleid van de vennootschap had bemoeid. In het zicht van een dreigend faillissement van de vennootschap had hij onder andere met een aantal cliënten van de vennootschap overlegd over een regeling met betrekking tot hun vorderingen op de vennootschap. Dit werd hem evenwel niet fataal, omdat in de opvatting van het hof diens bemoeienissen de duidelijke strekking hadden de belangen van de vennootschap en haar crediteuren zo goed mogelijk te behartigen. In plaats van bij derden het vertrouwen op te wekken dat de commanditair zich als gecommanditeerde vennoot met zijn gehele vermogen voor de verbintenissen van de vennootschap aansprakelijk stelde moesten deze handelingen volgens het hof veeleer bij iedereen de indruk vestigen dat de vennootschap zwak stond en een ernstige waarschuwing inhielden om niet langer zaken met haar te doen en zich van het aanknopen van nieuwe relaties met de vennootschap te onthouden. In de opvatting van het hof staat het de commanditair dus niet alleen vrij zich intern, zonder dat zulks naar buiten blijkt, met het bestuur van de vennootschap in te laten, maar ook wanneer hij extern evident handelingen verricht die normaliter een bestuurder zijn voorbehouden gaat de commanditair soms vrijuit. In zekere zin werpt het verwijtbaarheidscriterium, dat later in de jurisprudentie zal worden ontwikkeld,19 hier zijn schaduw vooruit. Maar zelfs wanneer dat in aanmerking wordt genomen kan men zich niet aan de indruk onttrekken dat de rechtbank en vooral het hof de extern handelende commanditair hier wel heel welwillend hebben bejegend.
In de tweede zaak kwam de bedrijvige commanditair er minder gunstig van af. Hij had namens de vennootschap een grote hoeveelheid rijwielbelastingmerkhouders besteld waarvoor de vennootschap de koopprijs niet had betaald. Door de leverancier op de grondslag van art. 20 lid 2 WvK tot betaling aangesproken verweerde de bedrijvige commanditair zich met de stelling dat de door hem naar buiten verrichte handelingen niet onder deze verbodsbepaling vielen, nu hij deze handelingen immers expliciet als lasthebber voor en namens de commanditaire vennootschap had verricht. Derden konden volgens de commanditair dus niet in verwarring zijn geraakt over diens positie in de vennootschap, op grond waarvan er voor toepassing van art. 20 lid 2 WvK geen plaats zou zijn. Het gerechtshof te Leeuwarden oordeelde in 1942 evenwel anders.20 De commanditair had volgens het hof ten aanzien van de litigieuze bestellingen en de daaraan verbonden betalingen op een zodanige wijze handelingen naar buiten verricht dat die de indruk wekten handelingen van een gecommanditeerde vennoot te zijn. Dat hij dat als lasthebber deed kon hem niet baten, nu art. 20 lid 2 WvK een commanditair ook verbiedt krachtens volmacht tegenover derden op te treden.21
Naast de vorengenoemde jurisprudentie zijn er in deze periode geen uitspraken gepubliceerd waarin de reikwijdte van het bestuursverbod als zodanig de inzet van het geding was. Wel wordt in een arrest van het gerechtshof van Leeuwarden uit 1941 een commanditaire vennoot aansprakelijk gehouden wegens overtreding van art. 20 lid 2 WvK, maar dat de betrokken commanditair jegens vennootschapscrediteuren, en dus naar buiten, was opgetreden als ware hij bestuurder werd in deze zaak niet betwist.22
Een eerste conclusie die uit dit overzicht kan worden getrokken is dat er geen rechterlijke uitspraken zijn gepubliceerd waarin een verruiming van de reikwijdte van het bestuursverbod tot andere dan zich extern manifesterende bestuurshandelingen aan de orde is geweest. Een tweede conclusie is dat het enkele naar buiten optreden door een commanditair niet noodzakelijkerwijze een overtreding van het bestuursverbod constitueert: de rechter blijkt van belang te achten of de vennootschapscrediteur door het naar buiten optreden van de commanditair in de waan is gebracht dat de commanditair als gecommanditeerde vennoot met zijn gehele vermogen instond voor de schulden en verbintenissen van de vennootschap.
c) Een afwijkend geluid
De eensgezindheid werd verstoord door Duynstee, die met een afwijkende visie kwam. In zijn in 1940 verdedigde dissertatie betoogde hij allereerst dat het in art. 20 lid 2 WvK voorkomende verbod om in de zaken der vennootschap werkzaam te zijn een verbod is om de vennootschap te vertegenwoordigen.23 Hij is daarin in zoverre consequent dat hij geen problemen ziet in een optreden van de commanditair als commissionair voor de commanditaire vennootschap: die treedt dan immers op als middellijk vertegenwoordiger zonder volmacht en daarmee niet als vertegenwoordiger.24 Duynstee’s uitleg van het in art. 20 lid 2 WvK voorkomende verbod om daden van beheer te verrichten is opmerkelijker. Hij verwerpt het onderscheid tussen ‘actes de gestion extérieure’ en ‘actes de gestion intérieure’: onder ‘daden van beheer’ zijn volgens Duynstee zowel bestuurshandelingen te begrijpen die met derden relaties vestigen als bestuurshandelingen die voor derden verborgen blijven.25 Hij beroept zich daartoe in het bijzonder op de hierboven als eerste genoemde rechtsgrond van het bestuursverbod: het voorkomen dat de commanditair, zich beschermd wetend door zijn beperkte verliesparticipatie, roekeloos transacties aangaat. Kennelijk legt Duynstee het ‘aangaan’ van dit soort transacties zo (ruim) uit, dat daaronder ook zijn te begrijpen transacties die niet door de commanditaire vennoot zelf worden aangegaan, maar die door de gecommanditeerde vennoot zijn aangegaan op basis van de wil van de commanditair die hij binnen de interne vennootschappelijke organisatie heeft kunnen doorzetten.26 Ook wanneer de commanditair dus een louter intern overwicht heeft binnen de vennootschap en directe zeggingsmacht op het bestuur zou uitoefenen, zouden de belangen van derden volgens Duynstee kunnen worden bedreigd en overtreedt de commanditair het bestuursverbod.27 Dit is de kern van wat thans de ruime leer wordt genoemd. Niet duidelijk maakt Duynstee waarop deze zeggingsmacht van de commanditaire vennoot zou kunnen berusten. Wanneer tussen de vennoten zou zijn overeengekomen dat de gecommanditeerde vennoot zich voegt naar de wensen van de commanditair, dan zou ik menen dat een dergelijk beding in strijd komt met de personenvennootschapsrechtelijke rechtsorde zoals die voortvloeit uit de affectio societatis: de samenwerking op de voet van gelijkheid.28 Dat beginsel brengt naar mijn opvatting mee dat het niet mogelijk is overeen te komen dat een gecommanditeerde vennoot, in het bijzonder gelet op zijn onbeperkte aansprakelijkheid, gedwongen zou kunnen worden transacties aan te gaan waarin hij commercieel geen heil ziet of waaraan hij onaanvaardbaar grote risico’s verbonden acht. Daarmee is een dergelijk beding als nietig aan te merken en is de gecommanditeerde vennoot niet gehouden instructies die een commanditair op de grondslag daarvan uitvaardigt op te volgen. Bij acceptatie van dit uitgangspunt blijft als grondslag voor de door Duynstee gewraakte zeggingsmacht van de commanditair slechts een puur feitelijk overwicht over, bij voorbeeld in een familierelatie tussen een vader die als commanditair optreedt en een zoon als gecommanditeerde. In een dergelijke situatie zal de vennootschapscrediteur die een rechtsvordering zou willen instellen tegen de niet naar buiten handelende commanditair die intern beweerdelijk doorslaggevende zeggenschap uitoefenende al snel met een lastig, maar niet per definitie onoverkomelijk29 bewijsprobleem worden geconfronteerd.
In zijn preadvies voor de Nederlandsche Juristen-Vereeniging van 1942 toonde de preadviseur De Grooth zich niet door Duynstee overtuigd. Als de in Nederland geldende rechtsopvatting vermeldt hij dat het de commanditair niet vrijstaat zodanige beheershandelingen te verrichten die zich naar buiten manifesteren30 en hij meent dat de wetgever er goed aan zou doen deze rechtsopvatting in de wet vast te leggen.31 Ook uit de formulering van vraagpunt 632 blijkt de opvatting dat het bestuursverbod alleen betrekking heeft op het naar buiten optreden van de commanditair. In zijn bespreking van dit preadvies33 en in de beraadslagingen over dit preadvies, die ten gevolge van de oorlogsomstandigheden eerst in 1946 plaatsvonden, herhaalt Duynstee als zijn opvatting dat het een commanditair niet vrijstaat om de gecommanditeerde vennoot als zetbaas of stroman te gebruiken: de tegenovergestelde opvatting is volgens hem in strijd met de sociale ethiek.34 Hij betreurt het dan ook, dat de neiging bestaat het verbod van inmenging te zien als iets dat zuiver extern werkt.35 Bij de formulering van het vraagpunt had volgens hem na de woorden: ‘Indien de commanditair tegenover derden voor de vennootschap optreedt’ moeten worden opgenomen: ‘en indien hij intern als opdrachtgever optreedt’.36 Daarmee geeft hij te kennen bezwaren te hebben tegen een instructierecht van de commanditair jegens de gecommanditeerde. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat in zijn opvatting niet iedere vorm of mate van beleidsbeïnvloeding door de commanditair als een overtreding van art. 20 lid 2 WvK is te zien. Interessant is dat Duynstee als een soort obiter dictum stelt dat als art. 20 lid 2 WvK slechts een verbod op naar buiten blijkende daden zou omvatten, deze bepaling overbodig zou zijn. Ook zonder een dergelijke bepaling is de commanditair die de schijn wekt dat hij beherend vennoot is, immers als zodanig aansprakelijk tegenover wie deze schijn werd gewekt.37 Bij zijn reactie op Duynstee’s bespreking en interventie blijft De Grooth bij zijn opvatting dat interne daden van de commanditair geen overtreding van het bestuursverbod vormen.38 Hij tekent daarbij aan – naar mijn opvatting terecht, zie hierboven – dat hij het geven van opdrachten door de commanditaire vennoot aan de gecommanditeerde vennoot niet-verbindend acht wegens strijd met het karakter van de commanditaire vennootschap. Daarmee kan volgens De Grooth de casus die volgens Duynstee een overtreding van het bestuursverbod met zich brengt, zich niet voordoen.39 Dat lijkt mij te sterk uitgedrukt: de juridische onverbindendheid van een handeling sluit niet noodzakelijkerwijs haar onbestaanbaarheid in.
d) Overeenstemming over wat de commanditair wel is toegestaan?
Wat werd de commanditair in de hier besproken periode wel toegestaan? Toezicht door de commanditaire vennoot op het door de gecommanditeerde vennoot gevoerde bestuur wordt ook in deze periode algemeen aanvaard.40 De commanditair kan inzage nemen in de boeken van de vennootschap.41 Ook is het de commanditair toegestaan werkzaam te zijn op het kantoor van de vennootschap, mits hij maar niet optreedt op een zodanige wijze dat hij door derden als de bedrijfsleider zou kunnen worden beschouwd.42 De gecommanditeerde vennoot moet aan hem rekening en verantwoording afleggen43 en hij moet de commanditair kennen in door hem voorgenomen handelingen die buiten het vennootschappelijk doel liggen.44 Hij mag deelnemen aan de vennootschappelijke beraadslagingen en meestemmen.45 Ook over de vraag of het mogelijk is overeen te komen dat de gecommanditeerde vennoot voor bestuurshandelingen door de gecommanditeerde vennoot de toestemming van de commanditair behoeft bestaat in grote lijnen eenstemmigheid. Volgens de doctrine is dit toegestaan, veelal met de restrictie dat een dergelijke goedkeuring slechts buitengewone, niet-dagelijkse handelingen kan betreffen.46 Een beding waarin de goedkeuring van de commanditair nodig zou zijn voor elke handeling van de gecommanditeerde vennoot wordt doorgaans afgekeurd: indien een dergelijke bevoegdheid zou worden aanvaard zou de gecommanditeerde vennoot in feite als lasthebber van de commanditair fungeren en daarmee niet meer dan de uitvoerder van diens wil zijn. Dat zou de deur voor misbruik en bedrog wijd openzetten.47 Ook deze schrijvers48 miskennen dus het onderscheid tussen het kunnen beletten van een of zelfs elke bedrijfshandeling enerzijds en het kunnen bewerkstelligen van een bedrijfshandeling anderzijds: het is onmogelijk dat een onderneming wordt bestuurd door iemand die zelf geen beleidsinitiatieven kan nemen en aan wie geen ander beleidsinstrument ter beschikking staat dan het onthouden van goedkeuring aan door anderen dan hemzelf ontplooide initiatieven. Scheltema is de enige die verder wil gaan: hij meent dat de commanditair elke, ook de meest ver strekkende, invloed op de bepaling van de innerlijke wil van de vennootschap kan worden gegeven. Er zou in zijn opvatting dan ook geen bezwaar bestaan tegen een bepaling in de vennootschapsovereenkomst volgens welke besluiten tot het verrichten van zekere handelingen die zijn genomen door de commanditaire vennoot, de gecommanditeerde vennoot binden.49 Interessant is dat Duynstee als enige de vraag bespreekt of art. 20 lid 2 WvK zich ertegen verzet dat de commanditaire vennoten meestemmen bij de benoeming van een besturend vennoot.50 Hij ziet daarin geen bezwaar en aanvaardt in het verlengde hiervan dat ingeval de commanditairen meer stemmen in de vennootschap kunnen uitbrengen dan de gecommanditeerde vennoten, zij het in hun macht hebben de bestuurder naar eigen vrije wil af te zetten. Slechts wanneer de commanditairen dit machtsmiddel zouden misbruiken om de bestuurder naar hun hand te zetten en tot hun stroman te maken, dan dreigt overtreding van het bestuursverbod. Hiermee trekt Duynstee zijn opvatting over hetgeen de commanditair intern verboden is op consequente wijze door. In zijn uiterst kritische bespreking van het boek waarin Duynstee van deze opvatting gewaagt51 maakte Van der Grinten over dit punt geen enkele opmerking, waaruit wellicht voorzichtig mag worden geconcludeerd dat Van der Grinten deze opvatting deelde.
e) Een aanzet tot vernieuwing van de wettelijke regeling
Niet alleen in de rechtsgeleerde literatuur en de jurisprudentie werd aandacht besteed aan de commanditaire vennootschap en het bestuursverbod. Ook wetgevingsinitiatieven werden voorbereid. In 1879 werd bij Koninklijk Besluit een Staatscommissie ingesteld tot herziening van het Wetboek van Koophandel. 52 Deze kwam in november 1890 met het resultaat van haar werkzaamheden. Zij deed dat in de vorm van een vijftal wetsvoorstellen met toelichting, waarvan één betreffende de verschillende vennootschapsvormen, waaronder de commanditaire vennootschap. Laatstbedoeld ontwerp van de Staatscommissie (hierna: ‘het ontwerp’) bevatte wat het bestuursverbod betreft een boeiende noviteit. Volgens het eerste zinsdeel van art. 30 van het ontwerp hebben de commanditaire vennoten in beginsel geen recht van beheer. Tot zover niets nieuws onder de zon. Het interessante is echter, dat dit verbod in het systeem van het ontwerp niet geldt, indien de commanditair het recht van beheer uitdrukkelijk is toegekend en het vennootschapscontract, met insluiting van dit beding, openbaar is gemaakt:
‘Art. 30. De commanditaire vennooten hebben geen recht van beheer, tenzij hun dit uitdrukkelijk is toegekend en dit beding op de hiervoren bepaalde wijze is openbaar gemaakt.’53
De openbaarmaking waar art. 30 naar verwijst54 geschiedt volgens art. 3 van het ontwerp door aangifte van deze feiten ter inschrijving in het toentertijd ter griffie van het kantongerecht gehouden handelsregister.55 Van belang daarbij is dat volgens het ontwerp de vennoten verplicht waren ter inschrijving in het handelsregister aangifte te doen van de naam en de woonplaats van iedere vennoot, dus ook van de commanditaire vennoot.56 In het systeem van het ontwerp staat het de vennoten dus vrij de commanditair met het beheer te belasten,57 mits dit maar in het handelsregister wordt gepubliceerd en daardoor aan derden bekend kan zijn. Door een dergelijke publicatie verviel voor de Staatscommissie het bezwaar tegen het verbod om commanditaire vennoten met het beheer te belasten.58 De Staatscommissie, bestaande uit gezaghebbende (handels)rechtsgeleerden,59 moet geweten hebben dat aan het in art. 20 lid 2 WvK opgenomen bestuursverbod een dubbele ratio ten gronde lag. Zoals al meermalen genoemd zijn dat (i) het voorkomen van roekeloos handelen door de commanditair die zich beschermd weet door zijn beperkte verliesparticipatie en (ii) het voorkomen van verwarring bij derden over de status van de bestuurlijk namens de vennootschap optredende persoon. Volgens de Staatscommissie hadden derden niets te vrezen indien de positie van de commanditair als zodanig jegens het publiek volledig werd opengelegd.60 Dan konden derden die overwogen met de commanditaire vennootschap een transactie aan te gaan weten dat de handelende persoon jegens hen niet onbeperkt aansprakelijk was voor de verbintenissen die hij namens de vennootschap met hen aanging. Bovendien konden derden door een dergelijke openbaarmaking op hun hoede zijn voor al te gewaagde handelingen zijdens de commanditair: zij wisten immers dat deze intern slechts ten belope van zijn inbreng risico liep en konden dus anticiperen op de mogelijkheid dat deze wel eens geneigd zou kunnen zijn tot het aangaan van riskantere transacties dan wanneer hij zonder enige financiële beperking voor vennootschapsverliezen zou dienen op te komen. Ontbreekt die openbaarmaking in het handelsregister, dan is de situatie fundamenteel anders en bestaat er volgens de Staatscommissie wel behoefte aan bepalingen ter bescherming van ‘derden, die door daden van den commanditairen vennoot in den waan gebracht kunnen zijn, dat hij onbeperkt aansprakelijk is’.61 Het ontwerp voorziet daarin door in art. 2862 te bepalen dat zonder een dergelijke openbaarmaking in het handelsregister de commanditaire vennoten die ‘anders dan als procuratiehouders in de zaken van de vennootschap werkzaam zijn’, tegenover derden hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk zijn voor alle verbintenissen die betrekking hebben op zaken waarin zij zelf handelend zijn opgetreden.63 Twee zaken vallen hierin op. In de eerste plaats is het de commanditair toegestaan ook als procuratiehouder op te treden, mits deze positie openbaar is gemaakt.64 Deze uitzondering was al opgenomen in de door commissielid Asser voorbereide vraagpunten aan de hand waarvan de eerste besprekingen van de Staatscommissie hebben plaatsgevonden. 65 In de tweede plaats valt op dat de Staatscommissie het verbod voor een niet in het handelsregister ingeschreven commanditair om in de zaken van de vennootschap werkzaam te zijn, zoals opgenomen in art. 28 van het ontwerp, ziet als een verbod voor deze commanditair om externe handelingen te verrichten waardoor bij derden verwarring over diens status binnen de vennootschap ontstaat of kan ontstaan.66 Daarmee lijkt het in het stelsel van het ontwerp geoorloofd te zijn dat ook de niet als beheerder in het handelsregister ingeschreven commanditair zich inlaat met het bestuur van de vennootschap, indien en zolang hij maar niet in naam van de vennootschap tegenover derden handelend optreedt. Nergens wordt dit evenwel expliciet verwoord. Dit ontwerp van de Staatscommissie heeft niet tot een wetsvoorstel geleid. Zoals uit het navolgende blijkt is het evenmin van invloed geweest op het denken over het bestuursverbod. Gelet op het gezag van de leden van de Staatscommissie en de zinnigheid van hun voorstellen is dat even verbazend als betreurenswaardig.