Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/6.6.4
6.6.4 Het sluitstuk van de (mede)zeggenschapsrechten van gepensioneerden
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687228:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Pensioencommissie SER, Rapport eindevaluatie vernieuwd convenant medezeggenschap gepensioneerden, 19 maart 2009, p. 21 en p. 30.
Kamerstukken II 2008/09, 31537, nr. 7, p. 21-22.
Het verworpen amendement Ulenbelt beoogde overigens de zetels te verdelen over werknemers, gepensioneerden en werkgevers voor ieder 1/3e deel, Kamerstukken II 2008/09, 31537, nr. 9.
Kamerstukken II 2007/08, 31537, nr. 4, p. 9-10. Later is bij amendement het percentage van het minderheidsberoepsrecht opgehoogd tot 30%, Kamerstukken II 2009/10, 31537, nr. 28.
Kamerstukken II 2007/08, 31537, nr. 4, p. 9. Ook ik sprak de onwenselijkheid hiervan uit in V. Gerlach, ‘De procederende deelnemersraad’, TRA 2012/25. Daarnaast ook kritisch: L.H. Blom, ‘Evaluatie PFG en medezeggenschap van start’, P&P 2008/10, p. 27.
Uitkomsten breed overleg medezeggenschap en diversiteit pensioenfondsen, brief van de STAR van 26 november 2009.
Kamerstukken II 2009/10, 31537, nr. 18, p. 20-23.
Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 3, p. 6 en p. 16. J. de Bruin, ‘Het verantwoordingsorgaan: een tandeloze tijger in een te grote broek?’, PM 2018/93, stelt dat het later tot verantwoordingsorgaan omgedoopte orgaan hiermee hybride is geworden: medezeggenschap en verantwoording.
R. ten Wolde, ‘Deelnemersraad heeft langste tijd gehad’, PM 2003/12 (met naschrift E. Nypels en G. Verheij), p. 36; R. ten Wolde, ‘De Principes: nieuwe organen, tegen oude aangeplakt!’, TPV 2006/1; R. ten Wolde, ‘Voltooiing medezeggenschap gepensioneerden dringend gewenst’, PM 2008/123; A.F. Verdam, ‘Toezicht en verantwoording binnen het pensioenfonds’, WPNR 2011/6871; A.F. Verdam, ‘Het voorontwerp van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen’, WPNR 2011/6908; A.F. Verdam, ‘Na consultatie en advies Raad van State, nu het Wetsontwerp Versterking bestuur pensioenfondsen’, WPNR 2012/6931; L.H. Blom, ‘Van evaluatie PFG en medezeggenschap naar modernisering governance pensioenfondsen’, P&P 2011/1/2, p. 14; A.G. van Marwijk Kooy, ‘Enkele gedachten rond wet en Pension fund governance’, in: A.F. Verdam (red.), Ontwikkelingen rond pensioenen en pension fund governance, Deventer: Kluwer 2012, p. 58.
E. Nypels, in: CSO, Onverdeeld vermogen, inkomen en vermogen van ouderen en medezeggenschap bij pensioenfondsen, Utrecht: Uitgeverij SWP 1996, p. 68.
Kamerstukken II 2002/03, 28354, A, p. 9.
Kamerstukken II 2009/10, 31537, nr. 21, p. 3 en p. 8.
E.S. de Bock, ‘Wetsvoorstel versterking bestuur pensioenfondsen: een gemiste kans?’, TPV 2012/24, was kritisch; zou dan ook bij ondernemingen de OR kunnen worden uitgekleed als daar werknemers in het bestuur komen? Hij meende dat de deelnemersraad nieuwe stijl door de wetgever dusdanig was uitgekleed dat het een ‘lame duck’ was geworden. De staatssecretaris meende dat aangezien werknemers bij ondernemingen niet in het bestuur zitten, daar de uitgebreide bevoegdheden van de OR bij horen: medezeggenschap omdat zeggenschap ontbreekt. Zie Kamerstukken II 2012/13, 33182, nr. 46, p. 4.
Kamerstukken II 2012/13, 33182, nr. 47. De reactie van de staatssecretaris hierop is te vinden in Kamerstukken II 2012/13, 33182, nr. 51, p. 2. Het feit dat over de combinatie van een beroeps- en enquêterecht vrijwel geen discussie heeft plaatsgevonden is overigens wel enigszins opmerkelijk: R.H. Maatman en S.R. Schuit, ‘Versterking bestuur pensioenfondsen’, Ondernemingsrecht 2012/68; V. Gerlach, ‘De procederende deelnemersraad’, TRA 2012/25.
Kamerstukken II 2012/13, 33182, nr. 35, p. 3-4. Ten aanzien van het (beperkte) beroepsrecht voor een minderheid van de deelnemersraad meende de staatssecretaris dat dit niet meer nodig zou zijn door het goedkeuringsrecht van de raad van toezicht op die onderwerpen: Kamerstukken II 2012/13, 33182, nr. 14, p. 8. De raad van toezicht laat ik hier verder buiten beschouwing.
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 7, p. 85. Kritisch over deze verzwakking van de medezeggenschap onder meer: R.J.G. Veugelers, ‘Nieuwe governance: minder zeggenschap’, PM 2012/79; M. Heemskerk, Pensioenrecht, Den Haag: Bju 2015, p. 220; M. Heemskerk, ‘Op weg naar het nieuwe pensioen: maar niet zonder medezeggenschap’, in: F.G. Laagland (red.), Verburg. Geciteerd en besproken. Liber Amicorum prof. mr. L.G. Verburg, Deventer: Kluwer 2021, p. 329. Positief hierover is H.V.R. Lepoutre, Sdu Commentaar Arbeidsrecht, artikel 7 Pensioenwet, aant. C8.2.2, Den Haag: Sdu Uitgevers 2017, p. 2583, omdat het zwaartepunt voor de inhoud van de regeling daardoor meer bij cao-partijen zou komen te liggen.
Kamerstukken II 2012/13, 33182, nr. 33, p. 5. Eerder geopperd in de literatuur door L.H. Blom, ‘Van evaluatie PFG en medezeggenschap naar modernisering governance pensioenfondsen’, P&P 2011/1/2, p. 14, en R.H. Maatman en S.R. Schuit, ‘Versterking bestuur pensioenfondsen’, Ondernemingsrecht 2012/68. Kritisch hierover: T. Zuiderman, ‘Medezeggenschap nieuwe stijl: stuurbekrachtiging of wielklem?’, PMoktober 2013, p. 17-18, welke auteur de mogelijke toetreding van de werkgever tot het verantwoordingsorgaan als een uitholling van de positie van werknemers en gepensioneerden beschouwt.
Zo ook: M. Adema, ‘Wet versterking bestuur pensioenfondsen – Een blik op de invoeringspraktijk’, TPV 2014/2. Vergelijk daarnaast: P.M. Siegman, ‘Verantwoordingsorganen: opgelet!’, TPV 2014/32. Artikel 115d Pw staat bovenwettelijke rechten toe.
Hof Amsterdam (OK) 18 september 2014, PJ 2014/158 (Deelnemersraad Pensioenfonds Dupont Nederland/Pensioenfonds Dupont Nederland). De redenering van de OK – het pensioenreglement is te zeer verbonden met het exclusieve domein van de sociale partners – bevreemdt in het licht van de wetsgeschiedenis. Het adviesrecht is immers vervallen vanwege de gestelde onwenselijke combinatie van zeggenschap en medezeggenschap.
Kamerstukken II 2013/14, 33847, nr. 3, p. 3 en p. 11. Een andere geïntroduceerde ‘waarborg’ voor premieverlaging is overigens een toetsing door DNB of de belangen van verschillende generaties bij het premiebesluit evenwichtig zijn afgewogen. Met ‘generaties’ lijkt echter bij nadere lezing een onderscheid bedoeld tussen premiebetalers (de werknemers) en de niet premiebetalers (de slapers en gepensioneerden): Kamerstukken II 2013/14, 33847, nr. 3, p. 4, Kamerstukken I 2013/14, 33847, D, p. 26, Kamerstukken I 2013/14, 33847, F, p. 11. Te stellig lijkt mij daarom dat de toets van artikel 105 lid 2 Pw verder gaat dan de daarin genoemde belanghebbenden, zoals betoogd door K. Bitter e.a., ‘Governance pensioenfondsen’, in: E.K. Beckers e.a. (red.), Pensioenrecht in beweging, Vereniging voor Pensioenrecht, Den Haag: Sdu 2015, p. 251-252.
Onder meer een adviesrecht van het verantwoordingsorgaan voor het uitvoeringsreglement bij het algemeen pensioenfonds, Kamerstukken II 2016/17, 34674, nr. 3, p. 3.
Onder meer een adviesrecht over interne collectieve waardeoverdracht bij transitie en de vaststelling van het overbruggingsplan, artikel 150m Pw en artikel 150p Pw. De advies- en goedkeuringsrechten over de premie komen dan weer te vervallen, Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 152 en p. 386-387.
Hof Amsterdam (OK) 6 februari 2018, PJ 2018/42, m.nt. L.H. Blom (Verantwoordingsorgaan Pensioenfonds Tandtechniek/Pensioenfonds Tandtechniek). Instemmend: P. Laaper en H. van Meerten, ‘De (rechts)positie van het verantwoordingsorgaan en zijn leden’, TPV 2019/12. Kritisch over het initatiefwetsvoorstel omtrent een goedkeuringsrecht voor beleggingsbeleid M. Colly, ‘Laagdrempeligheid verdient de voorkeur bij verantwoordingsorgaan’, PM 2018/134.
Hof Amsterdam (OK) 5 november 2020, PJ 2021/2, m.nt. S.H. Kuiper, JOR 2021/120, m.nt. R.H. Maatman (Verantwoordingsorgaan Bedrijfspensioenfonds voor de Agrarische en Voedselvoorzieningshandel/Bedrijfspensioenfonds voor de Agrarische en Voedselvoorzieningshandel).
Zo ook: R.J.G. Veugelers, ‘De Wet versterking bestuur pensioenfondsen: nog complexer!’, PM augustus/september 2013, p. 15; M. Heemskerk, Pensioenrecht, Den Haag: Bju 2015, p. 219.
Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 3, p. 17 en p. 38.
Kamerstukken II 2012/13, 33182, nr. 50 (amendement Van Weyenberg/Lodders). Op verzoek van de staatssecretaris vaardigde DNB nog enige spelregels uit voor verkiezing van het verantwoordingsorgaan, te vinden via www.toezicht.dnb.nl: Kamerstukken II 2013/14, 33182, nr. 55, p. 1. Daarnaast is ten aanzien van de verkiezing ook artikel 10 WOR van overeenkomstige toepassing verklaard (artikel 115g lid 2 Pw): Kamerstukken II 2012/13, 33182, nr. 46, p. 9.
Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 3, p. 7, p. 15-16 en p. 39. Zie voor een vergelijking tussen de rechten van een verantwoordingsorgaan en belanghebbendenorgaan bijvoorbeeld A.G. van Dijk Mjur, ‘Het belang van het belanghebbendenorgaan in een APF’, TPV 2017/22.
Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 3, p. 40. De statuten dienen te voorzien in een geschillenregeling bij goedkeuringsbesluiten: Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 8, p. 21.
Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 8, p. 18. Daarbij geldt ook dat artikel 10 WOR van overeenkomstige toepassing is verklaard (artikel 115g lid 2 Pw): Kamerstukken II 2012/13, 33182, nr. 46, p. 9.
Artikel 150m Pw en artikel 150p Pw.
Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 3, p. 6 en p. 9; Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 4, p. 8; Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 8, p. 7.
Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 3, p. 9. De regering wees daarbij op het opnieuw onderhandelen over de premie en de inhoud van de regeling na afloop van de contractperiode, en het beperkte aantal deskundige bestuurders. Ook Kamerstukken I 2012/13, 33182, D, p. 5.
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 292 en Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 11, p. 87-88, wijzend op het belang van de werkgever bij goede uitvoering van de pensioenovereenkomst.
Kritisch daarover: A.F. Verdam, ‘DNB doet gewogen stemverhoudingen binnen het pensioenfonds in de ban’, WPNR 2014/7009; G.G. de Weert, ‘Implementatie van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen per 1 juli 2014’, TPV 2015/24; K. Bitter e.a., ‘Governance pensioenfondsen’, in: E.K. Beckers e.a. (red.), Pensioenrecht in beweging, Vereniging voor Pensioenrecht, Den Haag: Sdu 2015, p. 248. S.W.A.M. Visée, ‘In slakkengang naar een beter bestuur bij pensioenfondsen’, TPV 2011/26, is kritisch dat de zetelverdeling minutieus in de wet is geregeld, maar voorschriften over de stemverhouding niet.
Zo ook: Kamerstukken II 2017/18, 32043, nr. 392, p. 4-5.
Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 3, p. 33-34; Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 8, p. 9 en p. 13; Kamerstukken II 2012/13, 33182, nr. 11, p. 8; Kamerstukken II 2012/13, 33182, nr. 14, p. 14.
Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 3, p. 6. Het is daardoor in beginsel aan de gepensioneerden wie zij namens hen in het bestuur willen: Rb. Midden-Nederland 30 maart 2018, PJ 2018/86 (vereniging voor gepensioneerden Landbouwpensioen/Bedrijfstakpensioenfonds voor de Landbouw), later bekrachtigd in hoger beroep Hof Arnhem-Leeuwarden 18 september 2018, PJ 2018/170, m.nt. L.H. Blom (Bedrijfstakpensioenfonds voor de Landbouw/vereniging voor gepensioneerden Landbouwpensioen).
Voor gepensioneerden geldt, in tegenstelling tot de werknemers en werkgevers bij bedrijfstakpensioenfondsen, niet het vereiste dat zij vertegenwoordiger dienen te zijn van een vereniging: Kamerstukken II 2012/13, 33182, nr. 14, p. 6.
Handelingen I 9 juli 2013, 35-16-65.
Zo ook: M. Adema, ‘Wet versterking bestuur pensioenfondsen – Een blik op de invoeringspraktijk’, TPV 2014/2. De problematiek is enigszins vergelijkbaar met de verplichting op grond van het toenmalige artikel 109 Pw om bij bedrijfstakpensioenfondsen een deelnemersraad in te stellen. Ook die verplichting kende geen uitzondering voor jonge pensioenfondsen, aldus L.H. Blom, ‘Bestuur, medezeggenschap, verantwoording en intern toezicht’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 795.
Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 3, p. 16 en p. 32-33. Deze situatie kan zich ook voordoen bij een gesloten pensioenfonds zonder deelnemers; K. Bitter e.a., ‘Governance pensioenfondsen’, in: E.K. Beckers e.a. (red.), Pensioenrecht in beweging, Vereniging voor Pensioenrecht, Den Haag: Sdu 2015, p. 247.
Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 3, p. 8 en p. 14; Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 8, p. 23. Door het (bijna) verbod van DNB op gewogen stemverhoudingen kunnen dus ook bij een vergrijsd pensioenfonds zij geen grotere stem krijgen, aldus ook P. Bakker, ‘Stemverhouding bij paritair bestuur pensioenfonds: toegestaan of niet?’, P&P 2014/4.
Kamerstukken II 2012/13, 33182, nr. 14, p. 10-11; Kamerstukken I 2012/13, 33182, D, p. 14.
S.W.A.M. Visée, ‘Het bestuurs- en toezichtsmodel van pensioenfondsen’, in: A.F. Verdam (red.), Ontwikkelingen rond pensioenen en pension fund governance, Deventer: Kluwer 2012, p. 75.
Kamerstukken II 2012/13, 33182, nr. 14, p. 9. De motie Ulenbelt verzocht een dergelijke aanpassing, maar werd verworpen: Kamerstukken II 2012/13, 33182, nr. 39.
Hof Amsterdam (OK) 18 september 2014, PJ 2014/158 (Deelnemersraad Pensioenfonds Dupont Nederland/Pensioenfonds Dupont Nederland) draait de redenering om: de beperking van het aantal zetels voor gepensioneerden betekent niet dat zij zich niet evenwichtig vertegenwoordigd zullen kunnen voelen. In P. Borgdorff en M. Heemskerk, ‘Experts aan het woord’, TAO 2014/2, p. 64, stelt Heemskerk overigens dat de toets van artikel 105 lid 2 Pw ‘softer’ is dan de leeftijdsdiscriminatietoets van de WGBL.
Kamerstukken II 2011/12, 33182, nr. 8, p. 22: ‘De pensioenfondsen dienen in hun jaarverslag aan te geven hoe de deelnemers- en pensioengerechtigdenraad, het belanghebbendenorgaan en het bestuur zijn samengesteld naar leeftijd en geslacht en welke inspanningen zijn verricht om de diversiteit in de organen van het fonds te bevorderen. (…) De regering is geen voorstander van quota voor het bestuur voor jongeren, vrouwen, alleenstaanden en gehuwden en slapers’.
A.F. Verdam, ‘Na consultatie en advies Raad van State, nu het Wetsontwerp Versterking bestuur pensioenfondsen’, WPNR 2012/6931. Ook het Commentaar Studiegroep Vereniging van Pensioenjuristen, ‘Versterking bestuur pensioenfondsen’, P&P 2011/9, p. 8, bekritiseert het feit dat het begrip ‘belanghebbenden’ niet is gedefinieerd.
Zie voor de bijzonderheden artikel 100, 102, 115 en 115b Pw.
Betoogd door onder meer R.O.J. Melching, ‘Goed pensioenfondsbestuur: naar een professioneel model?’, TPV 2011/17; R.M.J.M. de Greef, ‘Voorontwerp Wet versterking bestuur pensioenfondsen niet toekomstbestendig’, TPV 2011/25; S.W.A.M. Visée, ‘In slakkengang naar een beter bestuur bij pensioenfondsen’, TPV 2011/26; iets minder stellig R.H. Maatman, ‘Pensioen en pensioenfonds in transitie’, Ondernemingsrecht 2013/109.
Betoogd door onder meer L.H. Blom, ‘Bestuur, medezeggenschap, verantwoording en intern toezicht’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 789-790. Bij deze opvatting is er discussie over de vraag of de (ex-)werkgever door de verschoven risicoverhoudingen nog wel vertegenwoordigd dient te zijn: Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 7, p. 117. Zie J.B. Kuné, ‘Het zoeken van de mens naar zekerheid: CDC-systematiek onontkoombaar?’, PM 2008/184; A.G. van Marwijk Kooy, ‘Enkele gedachten rond wet en Pension fund governance’, in: A.F. Verdam (red.), Ontwikkelingen rond pensioenen en pension fund governance, Deventer: Kluwer 2012, p. 57; E.S. de Bock, ‘Wetsvoorstel versterking bestuur pensioenfondsen: een gemiste kans?’, TPV 2012/24; H. van Meerten en O. de Baan, ‘Het verantwoordingsorgaan: een serieuze zaak’, PM 2017/101. Vergelijk ook: L. Bovenberg en R.H. Maatman, Een 10 voor governance, Netspar economische adviezen, nr. 1, Tilburg: Netspar 2007; A.L.J. van Dooremalen, ‘Zorgen over de zorg voor pensioenen?’, TPV 1998/5.
Richtlijn 2016/2341/EU, overweging 32. Zie ook M.J. Hoekstra, ‘De Code Pensioenfondsen in zijn context’, TPV 2014/13; R.H. Maatman, ‘Doelgericht pensioenfondsbesturen: over de toegevoegde waarde van een pensioenfonds’, PM 2020/141; R.H. Maatman, ‘Zonder doel kun je niet sturen’, in: R.H. Maatman e.a., Pensioen 2025, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 113.
De behandeling van het wetsvoorstel Bakker bleef ondertussen geschorst door verzet vanuit de Tweede Kamer en het werd uiteindelijk ingetrokken. Wel volgden nog van VDD-Kamerlid Blok een amendement om de ongelijke positie van gepensioneerden tussen ondernemings- en bedrijfstakpensioenfondsen op te heffen (participatie in deelnemersraad of bestuur bij de eerste, en alleen deelnemersraad bij de tweede), en samen met D66-Kamerlid Koşer Kaya een motie om gepensioneerden een recht te geven op een zetel in het bestuur van bedrijfstakpensioenfondsen.1 Beiden werden verworpen, evenals een amendement om gepensioneerden bestuursparticipatie toe te kennen bij bedrijfstak- en ondernemingspensioenfondsen.2 Hierna dienden Koşer Kaya en Blok in 2008 een initiatiefwetsvoorstel in, de Wet medezeggenschap pensioengerechtigden in pensioenfondsbesturen, ook wel bekend als de Wet Koşer Kaya/Blok.3 Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel verscheen ook de eindevaluatie van het medezeggenschapsconvenant. Uit deze evaluatie bleek op zich een verbetering: 86% van de gepensioneerden bij ondernemingspensioenfondsen en 18% van de gepensioneerden bij bedrijfstakpensioenfondsen had recht op een bestuurszetel.4 Daarmee had echter nog steeds zo’n 70% van de gepensioneerden geen (directe) vertegenwoordiging in het bestuur, wat voor Koşer Kaya en Blok de noodzaak van hun wetsvoorstel benadrukte.5
De indieners van het wetsvoorstel zagen zowel problemen bij ondernemingspensioenfondsen (een verzoek om een deelnemersraad zou kunnen leiden tot uitsluiting van bestuursdeelname),6 als bij bedrijfstakpensioenfondsen (geen recht op bestuursdeelname door gepensioneerden, terwijl in aantallen het aantal gepensioneerden daar veruit het grootst is). Het wetsvoorstel beoogde daarom onder meer ondernemings- én bedrijfstakpensioenfondsen te verplichten gepensioneerden te raadplegen over bestuursdeelname, zonder dat dit gevolgen zou hebben voor het bestaan van de deelnemersraad. De raadpleging zou ook dwingender van karakter worden.7 De pariteitseisen tussen ondernemings- en bedrijfstakpensioenfondsen werden volgens het wetsvoorstel gelijkgetrokken, door voor bedrijfstakpensioenfondsen op te nemen dat de vertegenwoordigers van werknemersverenigingen en van gepensioneerden recht hebben op ‘ten minste’ evenveel zetels als de vertegenwoordigers van de werkgeversverenigingen.8 De zetelverdeling tussen werknemers(verenigingen) en gepensioneerden onderling diende evenredig aan hun aantallen te zijn, tenzij anders afgesproken. Bovendien creëerden de initiatiefnemers de mogelijkheid om externe deskundigen kandidaat te stellen als vertegenwoordiger van de gepensioneerden in het bestuur.9
Tot slot noem ik de uitbreiding van het minderheidsberoepsrecht tot alle adviesgronden, waarbij onder een minderheid werd begrepen 10% van de leden van de deelnemersraad. Ter onderbouwing van dit minderheidsberoepsrecht wezen zij op het vervallen klachtrecht onder de PSW, dat door een minderheid van ten minste 10% van de deelnemersraad kon worden ingezet.10 Onder andere ten aanzien van dit laatste punt toonde de Raad van State zich kritisch, omdat het frustrerend zou werken voor de besluitvorming.11
Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel riep de motie Omtzigt c.s. op tot overleg met sociale partners en vertegenwoordigers van ouderen over de medezeggenschap, zonder dat dit echter in een gezamenlijk voorstel resulteerde.12 Onder andere de Nederlandse Vereniging van Organisaties van Gepensioneerden en PUSH toonden zich voorstander van het wetsvoorstel, de STAR en VNO-NCW waren tegen.13 De regering op zijn beurt was van mening dat het wetsvoorstel zich ten onrechte toespitste op één element van het bestuur van pensioenfondsen, te weten de vertegenwoordiging van gepensioneerden, terwijl een grotere hervorming van de governance noodzakelijk zou zijn. Een ‘adequatere vertegenwoordiging van alle risicodragers’ zou wel onderdeel moeten vormen van die grootscheepsere herziening.14 De regering toonde zich voorstander van meer bestuursparticipatie door gepensioneerden15 en vond het – mede door het mislukte overleg tussen sociale partners en vertegenwoordigers van ouderen – niet opportuun opnieuw een beroep te doen op zelfregulering.16 Een poging van enkele Kamerleden om de gewenste bredere governance-hervorming onderdeel te maken van de Wet Koşer Kaya/Blok mislukte.17 Desondanks zetten de initiatiefnemers hun wetsvoorstel door omdat zij met de versterking van de (mede)zeggenschap van gepensioneerden niet wilden wachten tot er weer een nieuw wetsvoorstel lag.18 De Wet Koşer Kaya/Blok haalde uiteindelijk de eindstreep, maar ondertussen liep al het wetgevingstraject van de door de regering aangekondigde grootscheepsere hervorming. Dit leidde tot de situatie dat de Wet Koşer Kaya/Blok op 1 juli 2013 in werking trad, maar door de overgangstermijn van een jaar pensioenfondsen pas per 1 juli 2014 aan de wet hoefden te voldoen.19 Doordat de hervormingswet toen al aangenomen was, is Koşer Kaya/Blok in de praktijk nooit geëffectueerd.
Die hervormingswet was de Wet versterking bestuur pensioenfondsen, die een keuze uit een vijftal bestuursmodellen introduceerde per 1 juli 2014: paritair, onafhankelijk of gemengd (zijnde paritair gemengd, onafhankelijk gemengd of omgekeerd gemengd). Bepaalde elementen van de wet kwamen overeen met de Wet Koşer Kaya/Blok; in beiden wetten stond bijvoorbeeld de verplichting voor pensioenfondsen om op verzoek mee te werken aan het verstrekken van informatie over de oprichting van, dan wel het bestaan van een vereniging van gepensioneerden (artikel 115h Pw).20 Daarmee kwam definitief een einde aan het beroep door pensioenfondsen op de Wbp om niet aan dergelijke informatieverzoeken te voldoen (zie daarover paragraaf 6.7.4). Maar een belangrijk verschil met de Wet Koşer Kaya/Blok is dat de Wet versterking bestuur pensioenfondsen voorzag in het sluitstuk van de (mede)zeggenschapspositie van de gepensioneerde: een automatische vertegenwoordiging in het paritaire bestuur, paritair gemengde of omgekeerd gemengde bestuur, zonder nadere raadpleging over bestuursdeelname of medezeggenschap.21
Daar stond tegenover dat volgens het oorspronkelijke wetsvoorstel de deelnemersraad en zijn advies- en beroepsrechten kwamen te vervallen. Bij het paritaire, paritair gemengde of omgekeerd gemengde bestuur hield ook het verantwoordingsorgaan van artikel 33 Pw op te bestaan en kwamen de taken van dit orgaan te liggen bij een deelnemersraad ‘nieuwe stijl’, de zogeheten deelnemers- en pensioengerechtigdenraad. Deze verplicht in te stellen raad hield nog wel de adviesrechten die voortvloeiden uit de STAR Principes van 2005, evenals het enquêterecht.22 De redenering hiervoor was volgens de regering dat anders sprake zou zijn van een ongewenste dubbele combinatie van zeggenschap én medezeggenschap.23 Anders gezegd: door zeggenschap is geen medezeggenschap meer nodig. Op zich was (en is) die gedachte niet heel gek, als je bedenkt dat de deelnemersraad in 1990 slechts als substituut werd geïntroduceerd voor bestuursdeelname door gepensioneerden. Meerdere auteurs redeneerden op die manier en bepleitten opheffing van de deelnemersraad.24 In 1996 vroeg de initiatiefnemer van de wet uit 1990, oud-Kamerlid Nypels, zich ook af of de deelnemersraad nog wel een toekomst zou hebben als gepensioneerden een wettelijk recht op bestuursdeelname zouden krijgen. Hij meende van wel, als controlemiddel op het bestuur.25 Hetzelfde argument gebruiken Kamerleden Giskes en Van Geen26 en Koşer Kaya en Blok27 in hun initiatiefwetten, evenals sommige stemmen in de literatuur.28 Daarnaast wezen de initiatiefwetten erop dat werknemers die ‘ongewenste’ combinatie van zeggenschap en medezeggenschap al jaren hadden, dus waarom zou dat met de introductie van een recht op bestuursdeelname voor gepensioneerden ineens anders moeten zijn?29 Vanuit het perspectief van de werknemers zou afschaffing van de adviesrechten van de deelnemersraad bovendien betekenen dat niet alleen hun positie in het bestuur wordt verzwakt (zij moeten immers zeggenschap verplicht gaan delen), maar ook hun medezeggenschapspositie.30 Ik zou aan deze kritiek nog willen toevoegen dat ook de evenwichtige belangenbehartiging van artikel 105 lid 2 Pw in 1990 is gelanceerd als substituut voor bestuursdeelname door gepensioneerden. Zou die dan ook overbodig zijn nu dat recht op bestuursdeelname er is? Mij lijkt dat die nog steeds een toegevoegde waarde heeft doordat het iedere geleding dwingt verder te kijken dan sec het eigen belang.31
Wat hier ook van zij, na uitvoerige discussie in de Tweede Kamer werd het aantal adviesrechten van de deelnemers- en pensioengerechtigdenraad ietwat uitgebreid met enkele essentiële besluiten en werd het beroeps- en enquêterecht bij de OK opnieuw in het leven geroepen (artikel 115a, 217 en 219 Pw).32 Pogingen vanuit de Kamer om het aantal adviesrechten op het niveau van de oude deelnemersraad te brengen, inclusief het (beperkte) beroepsrecht voor een minderheid van de deelnemersraad, haalden het niet.33 Dat betekent dat over sommige basale kwesties als wijziging van een pensioenreglement geen adviesrecht meer bestaat.34 Doordat het amendement Vermeij/Lodders erin resulteerde dat het ook voor werkgevers mogelijk werd om in de deelnemers- en pensioengerechtigdenraad plaats te nemen, werd het orgaan vervolgens herdoopt tot het verantwoordingsorgaan.35
In de praktijk bleek na inwerkingtreding van de wet wel dat sommige pensioenfondsen (enkele) vervallen adviesrechten van de oude deelnemersraad als bovenwettelijke bevoegdheid overwogen toe te kennen aan het verantwoordingsorgaan.36 Het besluit een adviesrecht over wijzigingen van het pensioenreglement niet bovenwettelijk toe te kennen is door de OK echter niet onredelijk geacht.37 Daarnaast is het afgetuigde aantal wettelijke adviesrechten door de wetgever al snel weer (verder) uitgebreid. Ik noem hier de ‘waarborg’ voor premieverlaging in het kader van de versobering van het Witteveenkader met ingang van 1 januari 2015.38 Een voorgenomen besluit tot vaststelling van de pensioenpremie dient voor advies te worden voorgelegd aan het verantwoordingsorgaan (artikel 115a lid 3 Pw), of ter goedkeuring van het belanghebbendenorgaan (artikel 115c lid 9), over welk laatste orgaan hieronder meer. Ik vind het toch wel bijzonder te noemen dat gepensioneerden (als niet premiebetalers) op deze manier invloed hebben op het loon van werknemers. Er zijn daarnaast nog wel meer wijzigingen geweest,39 en er komen er nog meer aan wanneer de Wtp in werking zal treden.40 Hoe dan ook gaat het hier om adviesrechten. Zoals de OK het verwoordde heeft het verantwoordingsorgaan niet de taak het beleid en de uitvoering daarvan (mede) vorm te geven, maar de taak een oordeel te geven over het gevoerde beleid en over beleidskeuzes voor de toekomst.41 Het pensioenfondsbestuur heeft de taak te zorgen dat het medezeggenschapstraject zorgvuldig vorm wordt gegeven en de medezeggenschap ten volle tot haar recht komt.42
Ten aanzien van de benoeming of verkiezing van de leden van het verantwoordingsorgaan is de oude regeling voor de deelnemersraad bij ondernemingspensioenfondsen als uitgangspunt genomen. Voor bedrijfstakpensioenfondsen betekende dit een verruiming, doordat bij verkiezing de kandidaten nu niet meer alleen kunnen worden voorgedragen door verenigingen, maar ook door individuele slapers en gepensioneerden (artikel 115 lid 4 Pw). De representativiteitseisen die golden voor verenigingen die kandidaten wilden voordragen zijn vervallen.43 Binnen het verantwoordingsorgaan dienen de werknemers en gepensioneerden op basis van onderlinge getalsverhoudingen vertegenwoordigd te zijn,44 en bestaat als gezegd de mogelijkheid ook een vertegenwoordiger van de werkgever op te nemen indien de werkgever of de werknemers en gepensioneerden dit wensen (artikel 115 lid 2 Pw). Onduidelijk is hoe in dat geval de zetelverdeling dient te zijn; de wet zwijgt op dit punt.45 Dezelfde vraag komt op voor vertegenwoordigers van slapers, die ook kunnen worden opgenomen (artikel 115 lid 4 Pw).46 Als de leden door verenigingen worden benoemd, zijn de verenigingen evenredig aan hun ledenaantallen binnen hun geleding vertegenwoordigd (artikel 115 lid 6 Pw).47 Om te voorkomen dat ongebonden leden geweerd worden uit het verantwoordingsorgaan, kan 1% of ten minste 500 van de werknemers, slapers en gepensioneerden eisen dat er directe verkiezingen plaatsvinden (artikel 115 lid 8 Pw).48
Voor het onafhankelijk of onafhankelijk gemengd bestuursmodel is een ander medezeggenschapsorgaan in het leven geroepen. Het verplicht in te stellen belanghebbendenorgaan komt een advies- en beroepsrecht toe dat lijkt op dat van de oude deelnemersraad, het enquêterecht van het voormalige verantwoordingsorgaan, evenals een aantal goedkeuringsrechten ten aanzien van belangrijke besluiten (artikel 115c, 217 en 219 Pw). De reden voor dit andere medezeggenschapsorgaan is de afwezigheid van werkgevers(verenigingen), werknemers(verenigingen) en gepensioneerden in deze bestuursmodellen. In plaats daarvan nemen deze drie geledingen plaats in het belanghebbendenorgaan, waarbij hun onderlinge verhouding gelijk is aan de verhouding binnen het paritair bestuur (artikel 115b lid 2 Pw).49 Door hun goedkeuringsrechten worden de leden geacht ook de norm van evenwichtige belangenbehartiging van artikel 105 lid 2 Pw in acht te nemen.50 De wijze van benoeming van de leden is aan het pensioenfonds zelf overgelaten,51 waarbij voor gepensioneerden geen vereiste geldt om lid te zijn van een vereniging.52 Net als het verantwoordingsorgaan zal het belanghebbendenorgaan een aantal aanvullende rechten krijgen onder de Wtp ten aanzien collectieve waardeoverdracht en het zogeheten overbruggingsplan.53
Tot zover de medezeggenschap. Dit brengt mij bij de nieuwe inrichting van de zeggenschap via het bestuur, waarbij ik het onafhankelijk en onafhankelijk gemengde model vanwege hun aard buiten beschouwing laat. De samenstelling, zetelverdeling en benoeming van het bestuur is voor de overige drie modellen dezelfde, zij het dat bij het paritair gemengde bestuur alleen de uitvoerende bestuurders paritair zijn samengesteld en bij het omgekeerde gemengde bestuur alleen de niet uitvoerende bestuurders dat zijn (artikel 101a lid 2 en 7 Pw). Ik spreek hier gemakshalve van paritaire bestuurszetels. Het oorspronkelijke wetsvoorstel regelde dat bij premiemaximalisatie van de werkgever de paritaire zetelverdeling zou worden aangepast in het nadeel van de werkgever, omdat zijn risico’s dan beperkter zouden zijn.54 De regering achtte het wel gewenst de werkgever ondanks de risicoverschuiving van werkgever naar (ex-)werknemer betrokken te houden bij het pensioenfondsbestuur,55 welk standpunt bij de Wtp werd herhaald.56 De SER was echter niet gelukkig met het criterium van de premiemaximalisatie, aangezien het lastig te definiëren is en de financiële betrokkenheid van de werkgever van tijd tot tijd kan variëren als gevolg van (bijvoorbeeld) het arbeidsvoorwaardenoverleg. Dit was reden voor de wetgever de premiemaximalisatie als onderdeel van de zetelverdeling te schrappen en in plaats daarvan de zetelverdeling tussen ondernemings- en bedrijfstakpensioenfondsen gelijk te trekken, in die zin dat werknemers(verenigingen) en gepensioneerden tezamen ‘ten minste’ evenveel zetels bezetten als de werkgevers(verenigingen) (artikel 100 lid 1 en 2 Pw).57 Bovenop deze zetelverhoudingen kwam later het standpunt van DNB dat gewogen stemverhoudingen binnen het bestuur in beginsel niet zijn toegestaan, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, mede omdat hiermee de pariteit zou worden doorbroken en belanghebbenden zich niet evenwichtig vertegenwoordigd zouden kunnen voelen.58 Het mag wel zolang de stemverhouding de zetelverhouding volgt.59
Benoeming van de vertegenwoordigers van gepensioneerden op paritaire bestuurszetels vindt plaats na verkiezing door de gepensioneerden, of op voordracht door de vertegenwoordigers van de gepensioneerden in het verantwoordingsorgaan, mits die vertegenwoordigers zijn verkozen (artikel 102 lid 4 Pw).60 De wet introduceerde ook de mogelijkheid externe deskundigen toe te laten in het bestuur als vertegenwoordiger van alle geledingen, waaronder de gepensioneerden.61 Indien het pensioenfonds slapers wenst op te nemen in het bestuur, worden zij voor de pariteit aangemerkt als vertegenwoordigers van de gepensioneerden (artikel 100 lid 4 Pw).62 De zetelverdeling tussen werknemers(verenigingen) en gepensioneerden63 vindt plaats op basis van onderlinge getalsverhoudingen, waarbij de gepensioneerden ten hoogste de helft van het aantal zetels bekleden dat zij samen met de werknemers(verenigingen) hebben. In onderling overleg is afwijking mogelijk (artikel 102 lid 1 Pw).64
Bij een zeer jong pensioenfonds – hoewel dat vrijwel niet meer voorkomt door de massale opheffing van ondernemingspensioenfondsen en consolidatie onder bedrijfstakpensioenfondsen – zonder gepensioneerden is de vraag of zij desondanks verplicht dienen te zijn vertegenwoordigd. De wet voorziet niet in deze situatie. Uit de wetsgeschiedenis lijkt af te leiden dat zij dan niet vertegenwoordigd hoeven te zijn.65 Dat zou mij juist voorkomen, aangezien de wet anders het onmogelijke zou verlangen. Lastiger wordt het evenwel als er wel gepensioneerden zijn, maar zeer beperkt in aantal ten opzichte van het aantal werknemers. Is ook dan vertegenwoordiging verplicht? De wet lijkt geen ruimte te bieden die vraag negatief te beantwoorden.66
Duidelijker wettelijk geregeld is de omgekeerde situatie, het zeer vergrijsde ondernemingspensioenfonds – hoewel dat de vraag voor mij onbeantwoord laat waarom dat niet ook geldt voor bedrijfstakpensioenfondsen. Indien het aantal deelnemers bij een ondernemingspensioenfonds minder is dan 10% van de som van het aantal deelnemers en gepensioneerden, kunnen gepensioneerden meer zetels bezetten dan werknemers (artikel 102 lid 2 Pw).67 De gepensioneerden kunnen echter nooit meer dan 25% van het totale aantal bestuurszetels bezetten, tenzij de genoemde situatie van het zeer vergrijsde ondernemingspensioenfonds zich voordoet, in welk geval het maximum 50% is (artikel 100 lid 1 en 2 Pw). Het aantal zetels van gepensioneerden is gemaximeerd om te voorkomen dat de werkgever in een minderheid komt en de positie van de sociale partners ‘in onbalans’ zou raken.68 Volgens de regering zouden hiermee ‘onevenwichtigheden’ worden voorkomen, omdat als de gepensioneerden in de meerderheid zouden komen ten opzichte van de werknemers, bijvoorbeeld de keuze gemaakt zou kunnen worden voor een risicomijdend beleggingsbeleid dat nadelig is voor jongeren,69 of een hoge premie.70 Ook in de literatuur is het schrikbeeld genoemd dat als geen maximering zou plaatsvinden, de gepensioneerden (al dan niet samen met de werkgevers) een premieverhoging voor de werknemers zouden kunnen doordrukken.71 Het verworpen amendement Van Weyenberg trachtte die maximering, die geen onderdeel vormde van de Wet Koşer Kaya/Blok, te verwijderen omdat er geen goede grond voor zou zijn.72 De regering erkende het verschil met de Wet Koşer Kaya/Blok op dit punt, maar meende dat de introductie van de verplichte bestuurszetel voor gepensioneerden en de raad toezicht met de Wet versterking bestuur pensioenfondsen daar tegenover stond, omdat de raad van toezicht ook de evenwichtige belangenbehartiging van gepensioneerden dient te borgen.73 De regering toonde zich er daarnaast ook tegenstander van iedere geleding eenvoudigweg 1/3e van de zetels te geven.74 De Eerste Kamer was echter kritisch over de maximering in het licht van de gelijke behandelingsproblematiek zoals uiteengezet in paragraaf 6.2.3, maar verbond er uiteindelijk geen consequenties aan. Dat is jammer, want het is dezelfde redenering die decennia gemeengoed was gepensioneerden überhaupt geen zetel in het bestuur toe te kennen: eenzijdige belangenbehartiging (zie paragraaf 6.2.4). Er lijkt niet te zijn nagedacht over de vraag of het wettelijk vereiste van evenwichtige belangenbehartiging deze (veronderstelde) eenzijdige belangenbehartiging niet zou kunnen ondervangen.75
Nieuw als gevolg van de Wet versterking bestuur pensioenfondsen is ook dat bij paritaire bestuurszetels de belanghebbenden, los van de hiervoor besproken zetelverdeling, op een zo ‘evenwichtig mogelijke wijze vertegenwoordigd dienen te zijn’, aldus artikel 100 lid 1 en 2 Pw. Mij is onduidelijk wat hiervan de gevolgen dienen te zijn voor de vertegenwoordiging van slapers in het bestuur, die immers ook als belanghebbend moeten worden aangemerkt. De bewoording lijkt vooral in het leven te zijn geroepen om het bestuur een betere afspiegeling te laten zijn wat leeftijd en geslacht betreft (oftewel het afschudden van het imago van grijze oude mannen), in welk kader ook een rapportageverplichting in het leven is geroepen ex artikel 107 Pw en de STAR in 2010 een Convenant Bevordering Diversiteit Pensioenfondsen tot stand bracht. Ook de Code Pensioenfondsen 2018 lijkt daarvan uit te gaan (norm 31 en verder). Op slechts één plek in de wetsgeschiedenis impliceerde de wetgever dat slapers hier ook onder zouden vallen.76 Als slapers er wél onder vallen, betekent dit dan niet dat er per definitie een vertegenwoordiger van slapers in het bestuur zou moeten komen? De bewoording ‘zo evenwichtig mogelijk’ is gekozen omdat vertegenwoordiging afhankelijk is van voorhanden geschiktheid77, maar door de grote aantallen slapers moet dat toch doorgaans geen probleem zijn. Of moet ik de omstreden zinsnede van artikel 100 Pw zo lezen dat als een slaper een jonge vrouw is, zij vertegenwoordigd is als zich een jonge vrouw in het bestuur bevindt? De zinsnede komt de rechtszekerheid in ieder geval niet ten goede.78 Ik houd het erop dat de wetgever, mede doordat de rapportageverplichting van artikel 107 Pw niet is gekoppeld aan slapersvertegenwoordiging, niet heeft beoogd pensioenfondsen te verplichten vertegenwoordigers van slapers op te nemen. Aan de positie van slapers wordt juist opvallend weinig aandacht besteedt in de wetsgeschiedenis, en het lijkt me sterk dat hun positie op deze manier ‘via de achterdeur’ alsnog zou worden verstevigd.
Ik sluit af. De regelgeving ten aanzien van het algemeen pensioenfonds, mogelijk sinds 2016, laat ik verder onbesproken omdat ten aanzien van de samenstelling van het bestuur en de medezeggenschap veel bepalingen grotendeels van overeenkomstige toepassing worden verklaard.79 De voornaamste kritiek in de literatuur op de Wet versterking bestuur pensioenfondsen is, naast de complexiteit en moeilijk leesbare wetsartikelen, vooral dat de hoeveelheid aan bestuursmodellen vlees noch vis oplevert en de wetgever een duidelijke keuze uit de weg is gegaan. Dat heeft te maken met een vrij fundamentele vraag hoe een pensioenfonds dient te worden gekwalificeerd. Is het een financiële instelling die door financieel deskundigen dient te worden bestuurd,80 of is het een sociale instelling, een arbeidsvoorwaardelijk vehikel dat door belanghebbenden81 dient te worden bestuurd? De Code Pensioenfondsen 2018 laat de kwalificatie van het pensioenfonds in het midden en spreekt van een ‘arbeidsvoorwaardelijke financiële instelling’. Volgens de pensioenfondsenrichtlijn is een pensioenfonds het eenvoudigweg allebei.82 Die dubbelzinnigheid lijkt mij recht doen aan het bijzondere karakter van een pensioenfonds. De wet is inmiddels alweer enige jaren een feit en deze discussie is daarmee voorlopig gesloten, maar zal ongetwijfeld in de toekomst weer oplaaien. Dan zal ook opnieuw de wijze van (mede)zeggenschap van gepensioneerden ter discussie komen te staan. Ik meen dat de huidige veelheid aan mogelijke bestuursmodellen wellicht niet de schoonheidsprijs verdient, maar dat het onterecht zou zijn om een bestuursmodel te ontwikkelen waarin geen plek meer is voor de belanghebbenden, waaronder de gepensioneerden. De fundamentele grondslagen voor hun (mede)zeggenschap kunnen niet zomaar terzijde worden geschoven. Als de kritiek op dat standpunt is dat de vertegenwoordigers van de belanghebbenden ‘niet deskundig genoeg’ zijn om de complexiteit van een pensioenfonds te kunnen beheersen, dan dient de wet er wat mij betreft desnoods toe te dwingen dat deze vertegenwoordigers extern worden gezocht. Uit de evaluatie van de wet in 2018 bleek in ieder geval dat het vullen van aan gepensioneerden toegewezen bestuurszetels in de praktijk een uitdaging blijft.83