Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/5.7.2
5.7.2 De afweging van de betrokken belangen
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS488630:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1974-1975, 13 350, nr. 3, p. 11 en Kamerstukken II 1975-1976, 13 954, nr. 3, p. 42.
Kamerstukken II 1976-1977, 13 954, nr. 12, p. 13.
Kamerstukken II 1953-1954, 2493, nr. 10. p. 2.
HR 25 februari 1949, NJ 1949, 558 (Doetinchemse woonruimte). Een belangrijke uitspraak van recenter datum, onder het regime van de AWB, betreft die van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake gem. Venlo/Kwantum (ABRvS 9 mei 1996, JB 1996/158 m.nt. Stroink). Het ging daarin om de vrijstelling in het kader van de verlening van een bouwvergunning, die de gemeente Venlo op grond van de haar toekomende beleidsvrijheid aan Kwantum had verleend. De Afdeling overwoog dienaangaande: ‘De rechtbank heeft miskend dat het, nu het om de uitoefening van een door haar terecht als discretionair aangeduide bevoegdheid gaat, aan appellanten sub 1 was om de met uitoefening van die bevoegdheid gemoeide belangen af te wegen en tot het al dan niet uitoefenen van die bevoegdheid te beslissen. De rechtbank had zich dienen te beperken tot de vraag of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid van de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat Appellanten sub 1 niet in redelijkheid tot de verlening van de gevraagde vrijstelling hebben kunnen komen’.
Zoals we zojuist zagen toetst de Ondernemingskamer uiteindelijk of de beslissing voldoende zorgvuldig is genomen.
Zie reeds OK 1 mei 1980, NJ 1980, 271 (Linge Ziekenhuis).
In vergelijkbare zin Willems 2000, p. 12. Denkbaar is dat een andere motivering het besluit wél kan dragen, maar die is dan niet door de ondernemer aan zijn besluit ten gronde gelegd.
OK 12 juli 2010, JAR 2010/231 en ARO 2010/21 (VROM), van commentaar voorzien door Sprengers 2011, p. 25-26, en besproken door Verburg 2012a, p. 16.
OK 31 juli 2008, JOR 2008/302 m.nt. Holtzer en JAR 2008/221 (Stichting de Grote Rivieren).
OK 7 juli 1988, NJ 1989, 845, m.nt. Ma (Fluke).
Kamerstukken II 1975-1976, 13 954, nr. 3, p. 38.
OK 17 maart 1984, NJ 1984, 732, m.nt. Ma.
OK 4 juli 1985, NJ 1986, 498, m.nt. Ma (Interpharm).
Verburg 2012, p. 16; en Holtzer in zijn noot onder OK 31 juli 2008, JOR 2008/302 en JAR 2008/221 (Stichting de Grote Rivieren).
Volgt de ondernemer niet het advies om een werkbaar en realistisch (vgl. OK 13 januari 2011, ARO 2011, nr. 28) alternatief te onderzoeken of een dergelijk alternatief besluit te nemen, dan zal hij niet zozeer (nogmaals) zijn eigen besluit moeten onderbouwen, maar zal hij moeten motiveren waarom hij geen gevolg aan dat advies geeft. Zie onder meer OK 23 oktober 1997 en JAR 1997/244 (Nedlin), OK 11 januari 2001, JOR 2001/64 (Delacre I), OK 23 maart 2005, JOR 2005/182 en JAR 2005/130 (Concern voor Werk), OK 21 april 2010, JOR 2010/186 m.nt. Holtzer en JAR 2010/120 (Malibaan), OK 9 november 2010, JAR 2011/10 en ARO 2010, nr. 167 (Internationaal Danstheater) en OK 10 november 2011, JAR 2012/8 en ARO 2011, nr. 173 (Kinderopvang Noord-West Friesland). Wanneer de ondernemingsraad aangeeft dat afspraken en toezeggingen uit het verleden eraan in de weg staan dat het besluit wordt genomen, zal de ondernemer moeten motiveren waarom hij dat niet met de ondernemingsraad eens is. Zie bijvoorbeeld OK 20 april 1989, ROR 1989, nr 4, OK 9 september 1999, JOR 2000/27 (Stichting Sint Franciscushof) en OK 31 juli 2008, JOR 2008/302, m.nt. Holzer en JAR 2008/221 (Stichting Grote Rivieren). Dat ‘het advies’ in art. 25 lid 5 WOR tweede volzin ruim moet worden opgevat, blijkt hieruit dat de ondernemer in het kader van die bepaling ook zal hebben te motiveren waarom hij steekhoudende bezwaren tegen het besluit niet honoreert. Zie onder andere OK 7 juli 1988, NJ 1989, 845, m.nt. Ma (Fluke) en OK 5 juli 2005, JOR 2005/244 en JAR 2005/217 (RIAGG Amersfoort).
Duk spreekt in de ondertitel van een artikel in Advocatenblad afl. 13 van 1987 reeds van de rechter in de buurt van de stoel van de ondernemer. Het gaat er dus niet om of de Ondernemingskamer, ware dat aan hem, een ander besluit dan het bestreden besluit zou hebben genomen, het gaat er slechts om of de ondernemer in redelijkheid niet tot dat besluit heeft kunnen komen.
OK 10 november 2011, JAR 2012/8 en ARO 2011/173 (Kinderopvang Noord-West Friesland).
Van het debat tussen de ondernemer en de ondernemingsraad maakte ook de omvang van het zogenaamde beklemde vermogen (vgl. art. 2:18 lid 6 BW) deel uit. Volgens de ondernemingsraad had de ondernemer dit bedrag ‘met een natte vinger’ op € 10 mio vastgesteld. De Ondernemingskamer vond dat de ondernemer niet voldoende had toegelicht, laat staan toereikend had beredeneerd hoe zij op dit bedrag was gekomen, hetgeen betekende dat zij haar besluit ‘jegens de ondernemingsraad’ onvoldoende had gemotiveerd. Terecht stelt Zaal (2012, p. 29) vraagtekens bij dít onderdeel van de OK-beschikking. De ondernemer had op zich onderbouwd hoe hij tot een bedrag van € 10 mio was gekomen, maar belangrijker nog, hij had aangegeven dat de exacte omvang aan de orde zou kunnen en zou moeten komen in de nog bij de rechtbank te voeren procedure tot het verlenen van rechterlijke machtiging voor de omzetting (art. 2:18 lid 4 BW). Met name dit laatste acht ik een toereikende motivering om het advies van de ondernemingsraad op dit punt niet te volgen. Sterker nog: toereikender had het bijna niet gekund. Ik plaats bovendien vraagtekens bij het feit dat de Ondernemingskamer in navolging van de ondernemingsraad een discussie over de omvang van het beklemd vermogen onderdeel laat uitmaken van een besluit dat ten gronde een wijziging van de verdeling van de bevoegdheden binnen de onderneming betreft. Daar komt tenslotte bij dat de Ondernemingskamer met het aan zichzelf trekken van discussie over het beklemd vermogen zo niet formeel, dan toch materieel plaats neemt op de stoel die op grond van art. 2:18 lid 4 BW aan de gewone rechter is voorbehouden.
De Ondernemingskamer spreekt hiermee niet uit dat de motivering van de gekozen oplossing ontoereikend zou zijn, maar dat de ondernemer onvoldoende gemotiveerd heeft waarom hij het advies niet gevolgd heeft. Maakt dat nu enig verschil? Wel degelijk. In het eerste geval past de Ondernemingskamer namelijk een grotere terughoudendheid dan in het tweede geval. De motivering van de afwijking van het advies vindt immers in volle omvang plaats.
De in art. 26 lid 4 WOR gebruikte formule dat het beroep kan worden ingesteld ‘terzake dat de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen’, is ontleend aan het administratieve recht.1 De Memorie van Toelichting bij het in juni 1976 ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de WOR spreekt van een marginale toetsing, een term die evenzeer aan het administratieve recht ontleend is. Met toetsing achteraf wordt beoogd te bewerkstelligen dat de ondernemer bij het nemen van zijn besluit alle relevante belangen tegen elkaar afweegt,2 en dat hij deze afweging inzichtelijk maakt. In dit doel herkennen we de preventieve werking die de wetgever met de invoering van het beroepsrecht voor ogen heeft gestaan. Ook uit de Nota n.a.v. het Verslag3 spreekt dat de wetgever met de invoering van het beroepsrecht uiteindelijk voor ogen heeft gestaan het adviesrecht inhoudelijk beter tot zijn recht te laten komen:
‘Kennelijk vrezen deze leden, dat de toetsing van ondernemingsbesluiten aan de belangen van werknemers, zoals deze door de hen vertegenwoordigende ondernemingsraad naar voren worden gebracht, het gevaar van twijfel aan de objectiviteit van de rechterlijke beslissing in zich kan bergen. Dat gevaar zou dan vooral kunnen schuilen in de mogelijkheid, dat de ondernemingsraad zijn beroep (mede) grondt op politieke motieven. Wij achten die vrees niet gegrond. De rechter zal ons inziens ten aanzien van deze en soortgelijke problemen juist een grote terughoudendheid betrachten.’. En nu komt het: ‘Uiteindelijk beoordeelt hij immers alleen of de betrokken ondernemersbeslissing voldoende zorgvuldig genomen is.’.
Waar bij de invoering van het beroepsrecht zo nadrukkelijk is gerefereerd aan de administratiefrechtelijke toetsing, is het aardig een blik te werpen op de bepalingen die daarbij destijds een rol speelden. Het gaat dan om art. 5 aanhef en onder c Wet ARBO, art. 4 lid 1 en onder c Wet BAB en art. 8 lid 1 en onder c Wet AROB. Met de formule ‘in redelijkheid niet hebben kunnen komen tot’ wordt blijkens de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer bij de Wet ARBO4 waarnaar bij de totstandkoming van de Wet BAB met zoveel woorden wordt verwezen, tot uiting gebracht dat de beroepsgrond niet inhoudt dat het besluit in strijd is met de redelijkheid, maar dat het besluit blijk geeft van redeloos willekeurig handelen. Wat hiermee bedoeld wordt, zien we in een arrest van de Hoge Raad uit 1949, dat nog steeds als standaard geldt:
‘…, dat den waardering in een bepaald geval van de in aanmerking komende belangen ter beslissing van de vraag, of voor een vordering grond is te vinden, is overgelaten aan het beleid van de administratie, en de rechter daarin niet uit hoofde van een andere appreciatie dier belangen kan tussenkomen. … Dat voor tussenkomst van den rechter reden zou kunnen zijn, indien de vordering als een daad van willekeur zou zijn aan te merken; dat deze figuur zich voordoet, als moet worden aangenomen, dat de vorderende autoriteit bij de afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid niet tot een vordering heeft kunnen komen, en dus afweging van belangen geacht moet worden niet te hebben plaats gevonden.’.5
Vervangen we ‘vordering’ door ‘besluit’ en ‘administratie’ resp. ‘vorderende autoriteit’ door ‘ondernemer’, dan zijn we terug bij de toetsing door de Ondernemingskamer op grond van art 26 WOR. De betrokken ondernemersbeslissing is niet voldoende zorgvuldig genomen6 indien de ondernemer in dat kader geacht moet worden geen afweging van alle betrokken belangen, die van de door de ondernemingsraad vertegenwoordigde werknemers daaronder begrepen, te hebben gemaakt. Het zal voor de ondernemingsraad niet eenvoudig zijn aannemelijk te maken, laat staan te bewijzen, dat een afweging van de betrokken belangen achterwege is gebleven. Hier steekt de Ondernemingskamer de ondernemingsraad in twee opzichten de helpende hand toe. Ten eerste is veronachtzaming van procedurele voorschriften van art. 25 lid 2 t/m lid 4 WOR (over lid 5 kom ik aanstonds nog te spreken) voor de Ondernemingskamer in het algemeen aanleiding te oordelen dat niet alle betrokken belangen bij de voorgeschreven afweging betrokken (kunnen) zijn geweest.7 De ondernemer wordt daarnaast geacht geen afweging van de betrokken belangen te hebben gemaakt, wanneer het besluit als een daad van redeloze willekeur moet worden aangemerkt. Dit doet zich voor indien de ondernemer volstaat met een motivering die niet toereikend kan zijn als rechtvaardiging voor zijn besluit.8 Ik geef twee voorbeelden van recente beschikkingen van de Ondernemingskamer waar dit aan de orde was. Een ondernemer motiveert een voorgenomen besluit tot outsourcing van een deel van de werkzaamheden van de onderneming aldus dat hij om politieke redenen gehouden is te bezuinigen. Na outsourcing zal echter capaciteit (terug) ingehuurd moeten worden om de betreffende taken uit te blijven voeren. Vaststaat dat dit (terug) inhuren duurder zal uitvallen dan wat voordien de kosten van uitvoering van die taak waren. Omdat er dus van een bezuiniging in het geheel geen sprake zal zijn, kan de motivering ‘er moet bezuinigd worden’ het besluit niet dragen.9 Een ander geval betreft de ondernemer die het besluit een statutair voordrachtsrecht van de ondernemingsraad af te schaffen onderbouwt met de stelling dat de Zorgbrede Governance Code dwingend zou voorschrijven dat leden van een raad van toezicht niet op voordracht benoemd worden. Indien de Code echter uitdrukkelijk ruimte laat voor benoemingen op voordracht, geldt ook hier dat de motivering ‘geen strijd met de Code’ het besluit niet kan dragen.10 De Ondernemingskamer begeeft zich met dit oordeel niet op het gladde ijs van een volle inhoudelijke toetsing van het besluit. Door zich te beperken tot de feitelijke constatering dat een motivering ontbreekt, blijft de Ondernemingskamer juist weg daarbij.
Ik keer terug naar de procedurele voorschriften. Dat de ondernemer de voorgeschreven afweging van belangen heeft gemaakt, zal niet alleen uit zijn voorgenomen besluit, maar meer nog uit zijn definitieve besluit moeten blijken, zo lees ik in de volgende overweging in de Fluke-beschikking van de Ondernemingskamer: ‘Door bij een besluit geen dan wel onvoldoende inzicht te geven in (de) afweging van de belangen die in aanmerking moeten worden genomen doet een ondernemer wezenlijk te kort aan de positie van de OR zoals deze in de WOR is gewaarborgd. Dit brengt in het algemeen met zich dat die ondernemer niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.’.11 De Ondernemingskamer verwijt de ondernemer hier niet dat hij geen afweging van belangen heeft gemaakt, maar dat hij deze onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Hij heeft namelijk onvoldoende gemotiveerd waarom het advies van de ondernemingsraad niet of niet geheel is gevolgd (art. 25 lid 5 WOR). Ook deze motiveringsplicht strekt er toe het gewicht van de adviserende bevoegdheid te beklemtonen.12 Zo overwoog de Ondernemingskamer al in 1983 dat het in overeenstemming met het bepaalde in art. 25 lid 5 WOR is aan de ondernemingsraad mee te delen waarom van het advies is afgeweken, nu dit voorschrift beoogt te bevorderen dat de ondernemer met het uitgebrachte advies rekening houdt.13 Enige jaren later oordeelde de Ondernemingskamer dat de ondernemer, door onvoldoende uiteen te zetten waarom hij van het advies is afgeweken, wezenlijk tekort doet aan de door de WOR gewaarborgde belangen van de ondernemingsraad.14
Door verschillende schrijvers15 is de vraag opgeworpen of de Ondernemingskamer met toetsing van de motivering van het besluit de grens van een marginale beoordeling van het besluit overschrijdt. Naar mijn mening is dat niet het geval is. Niet uit het oog mag worden verloren dat de Ondernemingskamer niet zozeer de motivering van het besluit toetst, maar de in art. 25 lid 5 WOR bedoelde motivering het advies van de ondernemingsraad niet of niet geheel te volgen.16 De toetsing blijft namelijk achterwege indien de ondernemingsraad er van heeft afgezien een advies uit te brengen. Advies moet hier ruim worden opgevat, aldus dat daaronder niet alleen het formele advies verstaan dient te worden, maar ook hetgeen de ondernemingsraad in de loop van het traject anderszins ter onderbouwing van zijn standpunt aan de ondernemer heeft doen blijken. Omdat de Ondernemingskamer zich niet rechtstreeks over het besluit uitspreekt, maar via de procedurele band van het advies van de ondernemingsraad, overschrijdt de Ondernemingskamer niet de grenzen die art. 26 lid 4 WOR stelt, en houdt hij voldoende afstand tot de stoel van de ondernemer.17 Een goed voorbeeld, met name omwille van het feit dat de Ondernemingskamer zich zorgvuldig uitspreekt met betrekking tot de motivering,biedt de OK-beschikking inzake de Stichting Kinderopvang Noord-West Friesland.18 Het onbezoldigde bestuur van deze stichting vindt op enig moment dat hij, gegeven de enorme groei die de onderneming had doorgemaakt, niet meer de bestuurlijke eindverantwoordelijkheid kan dragen voor de onderneming. Deze zou moeten komen te liggen bij degenen die de onderneming de facto leiden, dat wil zeggen bij de directie. Het bestuur vat het voornemen op de stichting om te zetten in een besloten vennootschap, waarvan de aandelen zullen worden gehouden door degenen die het bestuur van de vennootschap gaan vormen. De ondernemingsraad kan zich vinden in gewenste professionalisering. Hij adviseert echter de stichting niet om te zetten in een besloten vennootschap, maar om binnen de bestaande rechtsvorm de structuur aldus te wijzigen dat de directie bestuur wordt en dat ‘daarboven’ een professionele en bezoldigde raad van toezicht wordt ingesteld. Het bestuur blijft echter bij zijn voornemen de stichting om te zetten in een besloten vennootschap. Dat het advies van de ondernemingsraad niet wordt gevolgd, motiveert het bestuur in de kern hiermee dat de toegevoegde waarde van de rechtsvorm van de besloten vennootschap is, dat deze het beste uiting zou geven aan het ondernemerschap van de directie, dat deze zorg zou dragen voor binding en continuïteit, en dat de belangen van bestuur en aandeelhouders gelijk zouden zijn aan die van de onderneming en het personeel. De Ondernemingskamer vindt deze motivering van de ondernemer om van het advies van de ondernemingsraad af te wijken niet toereikend, hetgeen tot de volgende conclusie leidt: ‘Het voorgaande betekent niet, dat de omzetting in een besloten vennootschap geen goede oplossing voor de geschetste problemen zou opleveren, maar slechts dat de Stichting haar keuze tussen de mogelijke alternatieven gelet op het uitgebrachte advies [onderstreping van mij, JvM] niet goed heeft gemotiveerd.’.19 De Ondernemingskamer spreekt zich niet uit over de vraag naar welk van beide oplossingen zijn eigen voorkeur uitgaat, hij verlangt slechts van de ondernemer dat deze op basis van argumenten aangeeft waarom hij het advies van de ondernemingsraad niet heeft gevolgd.20